Terug naar Handelingen 25
VSV
Statenvertaling

Handelingen 25:7

En toen hij verscheen, stonden de Joden die van Jeruzalem waren gekomen rondom hem en brachten vele zware beschuldigingen tegen Paulus in, die zij niet konden bewijzen.

Kruisverwijzingen

Context

Handelingen 25 — omringende verzen

2

Toen berichtten de hogepriester en de voornaamsten der Joden hem over Paulus en smeekten hem,

3

en verzochten hem als gunst dat hij Paulus naar Jeruzalem zou laten komen, terwijl zij onderweg een hinderlaag legden om hem te doden.

4

Maar Festus antwoordde dat Paulus te Caesaréa bewaard zou worden en dat hijzelf binnenkort daarheen zou vertrekken.

5

'Laten daarom zij die onder u daartoe in staat zijn,' zei hij, 'met mij afreizen en deze man beschuldigen, indien er enig kwaad in hem is.'

6

En nadat hij meer dan tien dagen onder hen had doorgebracht, reisde hij af naar Caesaréa; en de volgende dag, op de rechterstoel gezeten, beval hij Paulus voor te leiden.

7

En toen hij verscheen, stonden de Joden die van Jeruzalem waren gekomen rondom hem en brachten vele zware beschuldigingen tegen Paulus in, die zij niet konden bewijzen.

8

Terwijl hij voor zichzelf antwoordde: 'Noch tegen de wet der Joden, noch tegen de tempel, noch tegen de keizer heb ik in enig opzicht gezondigd.'

9

Maar Festus, de Joden een gunst willende bewijzen, antwoordde Paulus en zei: 'Wilt gij naar Jeruzalem gaan en daar over deze dingen voor mij berecht worden?'

10

Toen zei Paulus: 'Ik sta voor de rechterstoel van de keizer, waar ik berecht behoor te worden. De Joden heb ik geen onrecht gedaan, zoals u zeer goed weet.

11

Want indien ik een misdadiger ben of iets gedaan heb wat de dood verdient, weiger ik niet te sterven; maar indien er niets is van wat dezen mij ten laste leggen, kan niemand mij aan hen uitleveren. Ik beroep mij op de keizer.'

12

Toen antwoordde Festus, nadat hij met de raad had beraadslaagd: 'Hebt gij u op de keizer beroepen? Naar de keizer zult gij gaan.'