Hooglied 4:1
“Zie, gij zijt schoon, mijn liefste; zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn als duivenogen achter uw sluier; uw haar is als een kudde geiten die afkomen van de berg Gilead.”
Kruisverwijzingen
Context
Hooglied 4 — omringende verzen
Zie, gij zijt schoon, mijn liefste; zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn als duivenogen achter uw sluier; uw haar is als een kudde geiten die afkomen van de berg Gilead.
Uw tanden zijn als een kudde gelijkmatig geschoren schapen die opkomen uit de wasbak; ieder ervan heeft een tweeling, en geen is er onvruchtbaar onder hen.
3Uw lippen zijn als een scharlaken draad, en uw spraak is liefelijk; uw slapen zijn als een stuk granaatappel achter uw sluier.
4Uw hals is als de toren van David, gebouwd als een wapenrusting, waaraan duizend schilden hangen, alle rondassen van dappere mannen.
5Uw twee borsten zijn als twee jonge reeën die tweelingen zijn, die weiden onder de leliën.
6Totdat de dag aanbreekt en de schaduwen vluchten, zal ik mij begeven naar de mirrebergen en naar de heuvel van wierook.