Hooglied 6:4
“Gij zijt schoon, o mijn liefste, als Tirza, bevallig als Jeruzalem, ontzagwekkend als een leger met banieren.”
Kruisverwijzingen
Context
Hooglied 6 — omringende verzen
Waarheen is uw geliefde gegaan, o schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw geliefde zich gewend, zodat wij hem met u zoeken?
2Mijn geliefde is neergedaald in zijn hof, naar de bedden van specerijen, om in de hoven te weiden en lelies te plukken.
3Ik ben van mijn geliefde en mijn geliefde is van mij; hij weidt onder de lelies.
Gij zijt schoon, o mijn liefste, als Tirza, bevallig als Jeruzalem, ontzagwekkend als een leger met banieren.
Wend uw ogen van mij af, want zij hebben mij overweldigd. Uw haar is als een kudde geiten die neerdalen van de Gilead.
6Uw tanden zijn als een kudde schapen die opkomen uit de wasplaats, waarvan elke ooi tweelingen draagt en er geen onvruchtbare onder is.
7Als een stuk granaatappel zijn uw slapen achter uw sluier.
8Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen en maagden zonder getal.
9Maar mijn duif, mijn volmaakte, is de enige; zij is de enige van haar moeder, de uitverkorene van haar die haar gebaard heeft. De dochters zagen haar en prezen haar gelukkig; de koninginnen en de bijvrouwen prezen haar.