Jeremia 13:11
“Want zoals een gordel zich hecht aan de lendenen van een man, zo heb Ik het gehele huis van Israël en het gehele huis van Juda aan Mij doen hechten, spreekt de HEER, opdat zij Mij zouden zijn tot een volk en tot een naam en tot een lof en tot een eer; maar zij wilden niet horen.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 13 — omringende verzen
En het geschiedde na vele dagen, dat de HEER tot mij zeide: Sta op, ga naar de Eufraat en haal de gordel vandaar, die Ik u geboden had daar te verbergen.
7Toen ging ik naar de Eufraat en groef, en nam de gordel van de plaats waar ik hem verborgen had; en zie, de gordel was bedorven, hij deugde nergens toe.
8Toen kwam het woord van de HEER tot mij en zeide:
9Zo zegt de HEER: Evenzo zal Ik de trots van Juda en de grote trots van Jeruzalem verderven.
10Dit boze volk, dat weigert Mijn woorden te horen, dat wandelt in de verharding van zijn hart en andere goden navolgt om hen te dienen en voor hen te buigen, zal zijn als deze gordel, die nergens toe deugt.
Want zoals een gordel zich hecht aan de lendenen van een man, zo heb Ik het gehele huis van Israël en het gehele huis van Juda aan Mij doen hechten, spreekt de HEER, opdat zij Mij zouden zijn tot een volk en tot een naam en tot een lof en tot een eer; maar zij wilden niet horen.
Daarom zult gij tot hen dit woord spreken: Zo zegt de HEER, de God van Israël: Elke kruik zal gevuld worden met wijn. En zij zullen tot u zeggen: Weten wij niet zeker dat elke kruik met wijn gevuld zal worden?
13Dan zult gij tot hen zeggen: Zo zegt de HEER: Zie, Ik zal alle inwoners van dit land vullen met dronkenschap, de koningen die op Davids troon zitten, de priesters en de profeten en alle inwoners van Jeruzalem.
14En Ik zal hen de een tegen de ander verbrijzelen, vaders en zonen tesamen, spreekt de HEER; Ik zal niet sparen, Ik zal geen medelijden hebben noch erbarmen, maar hen verdelgen.
15Hoort en neigt het oor; weest niet hoogmoedig, want de HEER heeft gesproken.
16Geeft eer aan de HEER, uw God, voordat Hij duisternis brengt en voordat uw voeten struikelen op de donkere bergen; en terwijl gij uitziet naar het licht, maakt Hij het tot een schaduw des doods en verandert het in dikke duisternis.