Jeremia 18:14
“Verlaat een man de sneeuw van de Libanon, die van de rotsen des velds afkomt? Of zullen de koel stromende wateren die van elders komen worden verlaten?”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 18 — omringende verzen
En op het ogenblik dat Ik over een volk en over een koninkrijk spreek, om het te bouwen en te planten,
10Indien het kwaad doet in Mijn ogen en niet naar Mijn stem hoort, dan zal Ik berouw hebben over het goede waarmee Ik had gezegd hun goed te zullen doen.
11Nu dan, ga en spreek tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEER: Zie, Ik bereid een ramp over u en Ik smeed een plan tegen u; bekeer u nu, een ieder van zijn boze weg, en maakt uw wegen en uw daden goed.
12Maar zij zeiden: Het is hopeloos! Wij willen onze eigen plannen volgen, en een ieder van ons zal wandelen naar de overleggingen van zijn boos hart.
13Daarom, zo zegt de HEER: Vraagt nu onder de heidenen: Wie heeft zulke dingen gehoord? Een zeer afschuwelijk ding heeft de maagd van Israël gedaan.
Verlaat een man de sneeuw van de Libanon, die van de rotsen des velds afkomt? Of zullen de koel stromende wateren die van elders komen worden verlaten?
Want Mijn volk heeft Mij vergeten, zij hebben reukwerk gebracht aan de afgoden, en zij hebben hen doen struikelen op hun wegen, op de oude paden, om te wandelen op zijpaden, op een weg die niet gebaand is;
16Om hun land tot een woestenij te maken en een eeuwig voorwerp van ontzetting; een ieder die er voorbijgaat zal ontsteld zijn en zijn hoofd schudden.
17Ik zal hen verstrooien als met een oostenwind voor het aangezicht van de vijand; Ik zal hun de rug toekeren en niet het aangezicht, op de dag van hun verderf.
18Toen zeiden zij: Kom, laten wij plannen smeden tegen Jeremia, want de wet zal niet vergaan van de priester, noch de raad van de wijze, noch het woord van de profeet. Kom, laten wij hem treffen met de tong en niet luisteren naar enig woord van hem.
19Sla acht op mij, o HEER, en hoor de stem van hen die met mij twisten.