Terug naar Jeremia 19
VSV
Statenvertaling

Jeremia 19:5

En zij hebben ook de hoogten van Baäl gebouwd om hun zonen met vuur te verbranden als brandoffers voor Baäl, hetgeen Ik niet geboden heb, noch gesproken, en het is zelfs niet in Mijn hart opgekomen;

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 19 — omringende verzen

1

Zo zegt de HEER: Ga heen en koop een aarden kruik van een pottenbakker, en neem van de oudsten van het volk en van de oudsten van de priesters mee;

2

En ga uit naar het dal van de zoon van Hinnom, dat bij de ingang van de Oosterpoort ligt, en roep daar de woorden uit die Ik u zal zeggen,

3

En zeg: Hoort het woord van de HEER, gij koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem; Zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Zie, Ik zal over deze plaats een ramp brengen, waarvan een ieder die het hoort de oren zullen tuiten.

4

Omdat zij Mij verlaten hebben en deze plaats vervreemd hebben, en daarin reukwerk hebben gebracht aan andere goden, die zij noch hun vaderen noch de koningen van Juda gekend hebben, en zij deze plaats gevuld hebben met het bloed van onschuldigen;

5

En zij hebben ook de hoogten van Baäl gebouwd om hun zonen met vuur te verbranden als brandoffers voor Baäl, hetgeen Ik niet geboden heb, noch gesproken, en het is zelfs niet in Mijn hart opgekomen;

6

Daarom, zie, de dagen komen, spreekt de HEER, dat deze plaats niet meer Tofet zal worden genoemd, noch het dal van de zoon van Hinnom, maar het Dal der Slachting.

7

En Ik zal de raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen; en Ik zal hen door het zwaard voor hun vijanden doen vallen, en door de hand van hen die hun leven zoeken; en hun lijken zal Ik geven als voedsel voor de vogelen des hemels en voor de dieren der aarde.

8

En Ik zal deze stad tot een woestenij maken en een voorwerp van ontzetting; een ieder die er voorbijgaat zal ontsteld zijn en sissen over al haar plagen.

9

En Ik zal hen het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters doen eten, en zij zullen een ieder het vlees van zijn vriend eten tijdens de belegering en de benauwdheid, waarmee hun vijanden en zij die hun leven zoeken hen zullen benauwen.

10

Dan zult gij de kruik breken voor de ogen van de mannen die met u meegaan,