Jeremia 2:11
“Heeft een volk zijn goden verwisseld, hoewel die geen goden zijn? Maar Mijn volk heeft zijn heerlijkheid verwisseld voor wat geen nut doet.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 2 — omringende verzen
En zij zeiden niet: Waar is de HEER Die ons opvoerde uit het land Egypte, Die ons leidde door de woestijn, door een land van vlakten en van kuilen, door een land van droogte en van diepe duisternis, door een land waar niemand doorheen trok en waar geen mens woonde?
7En Ik bracht u in een vruchtbaar land om de vrucht ervan en het goede ervan te eten; maar toen u erin kwam, verontreinigde u Mijn land en maakte u Mijn erfdeel tot een gruwel.
8De priesters zeiden niet: Waar is de HEER? En zij die de wet hanteerden, kenden Mij niet; de herders overtraden tegen Mij, en de profeten profeteerden bij Baäl, en wandelden achter dingen die geen nut doen.
9Daarom zal Ik nog met u twisten, spreekt de HEER, en met de kinderen van uw kinderen zal Ik twisten.
10Want ga over naar de eilanden van Kittim en zie, en zend naar Kedar en let nauwkeurig op, en zie of zoiets er is.
Heeft een volk zijn goden verwisseld, hoewel die geen goden zijn? Maar Mijn volk heeft zijn heerlijkheid verwisseld voor wat geen nut doet.
Ontzet u hierover, gij hemelen, en siddert, wordt zeer verwoest, spreekt de HEER.
13Want Mijn volk heeft twee kwade dingen gedaan: Mij hebben zij verlaten, de Fontein van levend water, om zichzelf bakken uit te houwen, gebroken bakken die geen water kunnen houden.
14Is Israël een knecht? Is hij een in huis geboren slaaf? Waarom is hij tot een buit geworden?
15De jonge leeuwen brulden tegen hem en verhieven hun stem; en zij hebben zijn land tot een woestenij gemaakt; zijn steden zijn verbrand, zonder inwoner.
16Ook hebben de kinderen van Nof en Tachpanhes u de schedel ingeslagen.