Terug naar Jeremia 23
VSV
Statenvertaling

Jeremia 23:17

Zij zeggen nog altijd tot hen die Mij verachten: De HEER heeft gezegd: Gij zult vrede hebben; en zij zeggen tot ieder die wandelt naar de overlegging van zijn eigen hart: Geen kwaad zal over u komen.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 23 — omringende verzen

12

Daarom zal hun weg hun zijn als gladde paden in de duisternis; zij zullen voortgejaagd worden en daarin vallen; want Ik zal onheil over hen brengen, het jaar van hun bezoeking, zegt de HEER.

13

En Ik heb dwaasheid gezien bij de profeten van Samaria; zij profeteerden door Baäl en deden Mijn volk Israël dwalen.

14

Ook heb Ik bij de profeten van Jeruzalem een afschuwelijke zaak gezien: zij plegen overspel en wandelen in leugens; zij sterken ook de handen van de kwaaddoeners, zodat niemand zich bekeert van zijn goddeloosheid; zij zijn voor Mij allen als Sodom geworden, en de inwoners ervan als Gomorra.

15

Daarom, zo zegt de HEER der heerscharen aangaande de profeten: Zie, Ik zal hen voeden met alsem en hen de wateren van gal doen drinken; want van de profeten van Jeruzalem is goddeloosheid uitgegaan over het gehele land.

16

Zo zegt de HEER der heerscharen: Luistert niet naar de woorden van de profeten die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken een gezicht uit hun eigen hart, en niet uit de mond van de HEER.

17

Zij zeggen nog altijd tot hen die Mij verachten: De HEER heeft gezegd: Gij zult vrede hebben; en zij zeggen tot ieder die wandelt naar de overlegging van zijn eigen hart: Geen kwaad zal over u komen.

18

Want wie heeft gestaan in de raad van de HEER, en heeft Zijn woord waargenomen en gehoord? Wie heeft op Zijn woord gelet en het gehoord?

19

Zie, een storm van de HEER is uitgegaan in grimmigheid, ja, een geweldige wervelwind; hij zal neervallen op het hoofd van de goddelozen.

20

De toorn van de HEER zal niet afkeren, totdat Hij heeft uitgevoerd en volbracht de gedachten van Zijn hart; in de laatste dagen zult gij het volkomen verstaan.

21

Ik heb deze profeten niet gezonden, toch liepen zij; Ik heb tot hen niet gesproken, toch profeteerden zij.

22

Maar indien zij in Mijn raad hadden gestaan, en Mijn volk Mijn woorden hadden doen horen, dan zouden zij hen hebben afgewend van hun boze weg en van de boosheid van hun daden.