Jeremia 23:32
“Zie, Ik ben tegen hen die valse dromen profeteren, zegt de HEER, en die vertellen en Mijn volk doen dwalen door hun leugens en door hun lichtzinnigheid; terwijl Ik hen niet gezonden heb, noch hun geboden heb; daarom zullen zij dit volk volstrekt geen nut doen, zegt de HEER.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 23 — omringende verzen
Die van plan zijn Mijn volk Mijn naam te doen vergeten door hun dromen die zij elk aan zijn naaste vertellen, gelijk hun vaderen Mijn naam vergeten hebben door Baäl.
28De profeet die een droom heeft, laat hem een droom vertellen; en hij die Mijn woord heeft, laat hem Mijn woord getrouwelijk spreken. Wat is het kaf bij de tarwe? zegt de HEER.
29Is Mijn woord niet als een vuur? zegt de HEER; en als een hamer die de rots verbrijzelt?
30Daarom, zie, Ik ben tegen de profeten, zegt de HEER, die Mijn woorden stelen, ieder van zijn naaste.
31Zie, Ik ben tegen de profeten, zegt de HEER, die hun tong gebruiken en zeggen: Hij heeft gesproken.
Zie, Ik ben tegen hen die valse dromen profeteren, zegt de HEER, en die vertellen en Mijn volk doen dwalen door hun leugens en door hun lichtzinnigheid; terwijl Ik hen niet gezonden heb, noch hun geboden heb; daarom zullen zij dit volk volstrekt geen nut doen, zegt de HEER.
En wanneer dit volk, of de profeet, of een priester u vraagt: Wat is de last van de HEER? dan zult gij tot hen zeggen: Wat last? Ik zal u zelfs verlaten, zegt de HEER.
34En wat betreft de profeet, en de priester, en het volk, die zeggen: De last van de HEER, Ik zal die man en zijn huis straffen.
35Zo zult gij ieder tot zijn naaste en ieder tot zijn broeder zeggen: Wat heeft de HEER geantwoord? en: Wat heeft de HEER gesproken?
36En de last van de HEER zult gij niet meer vermelden; want ieders woord zal zijn last zijn; want gij hebt de woorden van de levende God, van de HEER der heerscharen, onze God, verdraaid.
37Zo zult gij tot de profeet zeggen: Wat heeft de HEER u geantwoord? en: Wat heeft de HEER gesproken?