Jeremia 25:1
“Het woord dat tot Jeremia gekomen is aangaande heel het volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, dat was het eerste jaar van Nebukadrezar, de koning van Babel;”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 25 — omringende verzen
Het woord dat tot Jeremia gekomen is aangaande heel het volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, dat was het eerste jaar van Nebukadrezar, de koning van Babel;
Welk woord Jeremia de profeet gesproken heeft tot heel het volk van Juda en tot alle inwoners van Jeruzalem, zeggende:
3Van het dertiende jaar van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, tot op deze dag, dat is het drie en twintigste jaar, is het woord van de HEER tot mij gekomen, en ik heb tot u gesproken, vroeg opstaan en spreken; maar gij hebt niet geluisterd.
4En de HEER heeft tot u gezonden al Zijn dienaren de profeten, vroeg opstaan en hen zenden; maar gij hebt niet geluisterd, noch uw oor geneigd om te horen.
5Zij zeiden: Bekeert u toch, ieder van zijn boze weg en van de boosheid van uw daden, en woont in het land dat de HEER u en uw vaderen heeft gegeven, van eeuwigheid tot eeuwigheid;
6En gaat niet achter andere goden aan om hen te dienen en te aanbidden, en tart Mij niet tot toorn met de werken van uw handen; en Ik zal u geen kwaad doen.