Terug naar Jeremia 27
VSV
Statenvertaling

Jeremia 27:15

Want Ik heb hen niet gezonden, zegt de HEER, maar zij profeteren een leugen in Mijn naam, opdat Ik u zou verdrijven en opdat u zou omkomen, u en de profeten die u profeteren.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 27 — omringende verzen

10

Want zij profeteren u een leugen, om u ver van uw land te doen weggaan; en dat Ik u zou verdrijven en dat gij zoudt omkomen.

11

Maar de volken die hun nek buigen onder het juk van de koning van Babel, en hem dienen, die zal Ik in hun eigen land laten blijven, zegt de HEER; en zij zullen het bebouwen en daarin wonen.

12

Ik sprak ook tot Zedekia, de koning van Juda, overeenkomstig al deze woorden, zeggende: Buig uw nek onder het juk van de koning van Babel, dien hem en zijn volk, en leef.

13

Waarom zoudt u sterven, u en uw volk, door het zwaard, door de honger en door de pest, zoals de HEER heeft gesproken over het volk dat de koning van Babel niet dienen wil?

14

Luister daarom niet naar de woorden van de profeten die tot u spreken en zeggen: U zult de koning van Babel niet dienen; want zij profeteren u een leugen.

15

Want Ik heb hen niet gezonden, zegt de HEER, maar zij profeteren een leugen in Mijn naam, opdat Ik u zou verdrijven en opdat u zou omkomen, u en de profeten die u profeteren.

16

Ik sprak ook tot de priesters en tot dit gehele volk, zeggende: Zo zegt de HEER: Luistert niet naar de woorden van uw profeten die u profeteren en zeggen: Zie, de vaten van het huis van de HEER zullen nu weldra teruggebracht worden uit Babel; want zij profeteren u een leugen.

17

Luistert niet naar hen; dient de koning van Babel en leeft; waarom zou deze stad verwoest worden?

18

Maar als zij profeten zijn, en als het woord van de HEER bij hen is, laten zij dan nu voorbede doen bij de HEER der heerscharen, opdat de vaten die zijn overgebleven in het huis van de HEER, en in het huis van de koning van Juda, en te Jeruzalem, niet naar Babel gaan.

19

Want zo zegt de HEER der heerscharen aangaande de pilaren, en aangaande de zee, en aangaande de onderstellen, en aangaande de overige vaten die in deze stad zijn gebleven.

20

Die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet heeft meegenomen, toen hij Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, van Jeruzalem naar Babel wegvoerde in ballingschap, en alle edelen van Juda en Jeruzalem.