Jeremia 27:22
“Zij zullen naar Babel gebracht worden, en daar zullen zij zijn totdat de dag komt dat Ik naar hen omzie, zegt de HEER; dan zal Ik hen ophalen en hen naar deze plaats terugbrengen.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 27 — omringende verzen
Luistert niet naar hen; dient de koning van Babel en leeft; waarom zou deze stad verwoest worden?
18Maar als zij profeten zijn, en als het woord van de HEER bij hen is, laten zij dan nu voorbede doen bij de HEER der heerscharen, opdat de vaten die zijn overgebleven in het huis van de HEER, en in het huis van de koning van Juda, en te Jeruzalem, niet naar Babel gaan.
19Want zo zegt de HEER der heerscharen aangaande de pilaren, en aangaande de zee, en aangaande de onderstellen, en aangaande de overige vaten die in deze stad zijn gebleven.
20Die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet heeft meegenomen, toen hij Jechonia, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, van Jeruzalem naar Babel wegvoerde in ballingschap, en alle edelen van Juda en Jeruzalem.
21Ja, zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël, aangaande de vaten die zijn overgebleven in het huis van de HEER, en in het huis van de koning van Juda en van Jeruzalem:
Zij zullen naar Babel gebracht worden, en daar zullen zij zijn totdat de dag komt dat Ik naar hen omzie, zegt de HEER; dan zal Ik hen ophalen en hen naar deze plaats terugbrengen.