Terug naar Jeremia 3
VSV
Statenvertaling

Jeremia 3:4

Zult u niet van nu aan tot Mij roepen: Mijn Vader, U bent de Leidsman van mijn jeugd?

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 3 — omringende verzen

1

Men zegt: Als een man zijn vrouw wegzendt en zij van hem weggaat en van een andere man wordt, zal hij tot haar wederkeren? Zou dat land niet zeer ontheiligd worden? Maar u hebt met vele minnaars gehoereerd; en zou u tot Mij wederkeren? spreekt de HEER.

2

Hef uw ogen op naar de hoogten en zie waar u niet bent beschapen. Aan de wegen hebt u voor hen gezeten, als een Arabier in de woestijn; en u hebt het land verontreinigd met uw hoererijen en met uw boosheid.

3

Daarom zijn de regenbuien ingehouden en is er geen late regen geweest; en u had het voorhoofd van een hoer, u weigerde beschaamd te worden.

4

Zult u niet van nu aan tot Mij roepen: Mijn Vader, U bent de Leidsman van mijn jeugd?

5

Zal Hij Zijn toorn voor altijd bewaren? Zal Hij die tot het einde toe vasthouden? Zie, gij hebt gesproken en boze dingen gedaan, zoals gij maar kondet.

6

De HEER zei ook tot mij in de dagen van koning Josia: Hebt gij gezien wat het afvallige Israël gedaan heeft? Zij is opgegaan op elke hoge berg en onder elke groene boom, en daar heeft zij hoererij bedreven.

7

En Ik zei, nadat zij dit alles gedaan had: Bekeer u tot Mij. Maar zij keerde niet terug. En haar trouweloze zuster Juda zag het.

8

En Ik zag, dat Ik het afvallige Israël wegens al haar overspel had weggezonden en haar een scheidbrief had gegeven; toch vreesde haar trouweloze zuster Juda niet, maar zij ging heen en bedreef eveneens hoererij.

9

En het geschiedde door de lichtvaardigheid van haar hoererij, dat zij het land ontheiligde en overspel bedreef met stenen en met hout.