Terug naar Jeremia 32
VSV
Statenvertaling

Jeremia 32:33

En zij hebben Mij de rug toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen onderwezen heb, vroeg opstijgende om hen te onderwijzen, hebben zij toch niet geluisterd om de vermaning aan te nemen.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 32 — omringende verzen

28

Daarom, zo zegt de HEER: Zie, Ik zal deze stad geven in de hand der Chaldeeën en in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, en hij zal haar innemen:

29

En de Chaldeeën die deze stad bestrijden, zullen komen en deze stad in brand steken en haar verbranden, met de huizen waarvan men op de daken reukoffers gebrand heeft aan Baäl en drankoffers uitgegoten heeft voor andere goden, om Mij tot toorn te verwekken.

30

Want de kinderen Israëls en de kinderen van Juda hebben van hun jeugd af alleen kwaad gedaan voor Mijn aangezicht: want de kinderen Israëls hebben Mij alleen maar tot toorn verwekt door het werk hunner handen, spreekt de HEER.

31

Want deze stad is Mij tot een aanleiding van toorn en gramschap geweest van de dag dat zij gebouwd werd tot op deze dag, zodat Ik haar van Mijn aangezicht moet verwijderen,

32

Vanwege al het kwaad der kinderen Israëls en der kinderen van Juda, hetwelk zij gedaan hebben om Mij tot toorn te verwekken, zij, hun koningen, hun vorsten, hun priesters en hun profeten, en de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.

33

En zij hebben Mij de rug toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen onderwezen heb, vroeg opstijgende om hen te onderwijzen, hebben zij toch niet geluisterd om de vermaning aan te nemen.

34

Maar zij hebben hun gruwelen gezet in het huis dat naar Mijn naam genoemd is, om het te verontreinigen.

35

En zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd die in het dal van de zoon van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters door het vuur te doen gaan aan Molech; hetwelk Ik hun niet geboden had, en het is niet in Mijn gedachten opgekomen dat zij deze gruwel doen zouden, om Juda te doen zondigen.

36

En nu, zo zegt de HEER, de God van Israël, aangaande deze stad, waarvan u zegt: Zij wordt door het zwaard, en door de honger, en door de pestilentie gegeven in de hand van de koning van Babel;

37

Zie, Ik zal hen vergaderen uit alle landen, waarheen Ik hen verdreven heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid; en Ik zal hen naar deze plaats wederbrengen en Ik zal hen zeker doen wonen:

38

En zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun God zijn: