Terug naar Jeremia 32
VSV
Statenvertaling

Jeremia 32:39

En Ik zal hun één hart en één weg geven, opdat zij Mij vrezen te allen dage, hun ten goede en hun kinderen na hen:

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 32 — omringende verzen

34

Maar zij hebben hun gruwelen gezet in het huis dat naar Mijn naam genoemd is, om het te verontreinigen.

35

En zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd die in het dal van de zoon van Hinnom zijn, om hun zonen en hun dochters door het vuur te doen gaan aan Molech; hetwelk Ik hun niet geboden had, en het is niet in Mijn gedachten opgekomen dat zij deze gruwel doen zouden, om Juda te doen zondigen.

36

En nu, zo zegt de HEER, de God van Israël, aangaande deze stad, waarvan u zegt: Zij wordt door het zwaard, en door de honger, en door de pestilentie gegeven in de hand van de koning van Babel;

37

Zie, Ik zal hen vergaderen uit alle landen, waarheen Ik hen verdreven heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid; en Ik zal hen naar deze plaats wederbrengen en Ik zal hen zeker doen wonen:

38

En zij zullen Mijn volk zijn, en Ik zal hun God zijn:

39

En Ik zal hun één hart en één weg geven, opdat zij Mij vrezen te allen dage, hun ten goede en hun kinderen na hen:

40

En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik Mij van hen niet zal afwenden om hun goed te doen; en Ik zal Mijn vreze in hun harten geven, zodat zij niet van Mij afwijken.

41

Ja, Ik zal Mij over hen verblijden om hun goed te doen, en Ik zal hen in dit land planten in waarheid met Mijn ganse hart en met Mijn ganse ziel.

42

Want zo zegt de HEER: Gelijkerwijs Ik al dit grote kwaad over dit volk gebracht heb, zo zal Ik al het goede over hen brengen dat Ik hun beloofd heb.

43

En velden zullen in dit land gekocht worden, waarvan u zegt: Het is verlaten zonder mens of dier; het is gegeven in de hand der Chaldeeën.

44

Men zal velden kopen voor geld, en akten ondertekenen en verzegelen en getuigen nemen, in het land van Benjamin en in de plaatsen rondom Jeruzalem en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte en in de steden der laaglanden en in de steden van het zuiden: want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt de HEER.