Jeremia 34:21
“En Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten zal Ik overgeven in de hand van hun vijanden, in de hand van hen die hen naar het leven staan, en in de hand van het leger van de koning van Babel, dat van u is opgetrokken.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 34 — omringende verzen
Maar u hebt u omgewend en Mijn naam ontheiligd, en hebt ieder zijn dienstknecht en ieder zijn dienstmaagd, die u naar hun goeddunken vrijgelaten had, laten terugkomen en hen wederom in onderworpenheid gebracht, om u tot dienstknechten en dienstmaagden te zijn.
17Daarom, zo zegt de HEER: U hebt niet naar Mij geluisterd in het uitroepen van de vrijheid, ieder voor zijn broeder en ieder voor zijn naaste. Zie, Ik roep de vrijheid voor u uit, zegt de HEER, voor het zwaard, de pest en de honger; en Ik zal u een schrikbeeld maken voor alle koninkrijken der aarde.
18En Ik zal de mannen die Mijn verbond overtreden hebben, die de woorden van het verbond dat zij voor Mijn aangezicht gesloten hebben niet zijn nagekomen, toen zij het kalf in tweeën deelden en tussen de stukken doorgingen,
19De vorsten van Juda, de vorsten van Jeruzalem, de hovelingen, de priesters en al het volk des lands, die tussen de stukken van het kalf doorgingen,
20Ik zal hen overgeven in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan; en hun dode lichamen zullen zijn tot voedsel voor de vogelen des hemels en voor de dieren der aarde.
En Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten zal Ik overgeven in de hand van hun vijanden, in de hand van hen die hen naar het leven staan, en in de hand van het leger van de koning van Babel, dat van u is opgetrokken.
Zie, Ik zal bevel geven, zegt de HEER, en Ik zal hen naar deze stad doen terugkeren; zij zullen ertegen strijden, haar innemen en haar met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda tot een woestenij maken zonder inwoner.