Terug naar Jeremia 34
VSV
Statenvertaling

Jeremia 34:6

Toen sprak Jeremia, de profeet, al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, te Jeruzalem,

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 34 — omringende verzen

1

Het woord dat tot Jeremia kwam van de HEER, toen Nebukadnezar, de koning van Babel, en heel zijn leger, en alle koninkrijken der aarde die onder zijn heerschappij stonden, en al de volken, streden tegen Jeruzalem en tegen al haar steden, zeggende:

2

Zo zegt de HEER, de God van Israël: Ga heen en spreek tot Zedekia, de koning van Juda, en zeg hem: Zo zegt de HEER: Zie, Ik zal deze stad overgeven in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.

3

En u zult niet ontkomen uit zijn hand, maar u zult zeker gegrepen en in zijn hand overgeleverd worden; uw ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien, en hij zal mond aan mond met u spreken, en u zult naar Babel gaan.

4

Hoor toch het woord van de HEER, o Zedekia, koning van Juda. Zo zegt de HEER van u: U zult niet sterven door het zwaard.

5

Maar u zult in vrede sterven; en zoals men reukwerk heeft verbrand voor uw vaderen, de vroegere koningen die vóór u waren, zo zal men voor u reukwerk branden; en zij zullen over u klagen, zeggende: Ach, heer! Want Ik heb dit woord gesproken, zegt de HEER.

6

Toen sprak Jeremia, de profeet, al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, te Jeruzalem,

7

Terwijl het leger van de koning van Babel streed tegen Jeruzalem en tegen alle steden van Juda die nog over waren, tegen Lachis en tegen Azeka; want deze versterkte steden waren de enige steden van Juda die nog overgebleven waren.

8

Dit is het woord dat tot Jeremia kwam van de HEER, nadat koning Zedekia een verbond had gesloten met al het volk dat te Jeruzalem was, om de vrijheid uit te roepen,

9

Dat ieder zijn dienstknecht en ieder zijn dienstmaagd, die een Hebreeuwse man of vrouw waren, vrij zou laten gaan; zodat niemand zich zou bedienen van een Jood, zijn broeder, als slaaf.

10

Toen nu al de vorsten en al het volk, die in het verbond getreden waren, hoorden dat ieder zijn dienstknecht en ieder zijn dienstmaagd vrij moest laten gaan, zodat men zich voortaan van hen niet meer zou bedienen, gehoorzaamden zij en lieten hen gaan.

11

Maar daarna keerden zij zich om en brachten de dienstknechten en de dienstmaagden, die zij vrij hadden gelaten, terug en brachten hen wederom in onderworpenheid als dienstknechten en dienstmaagden.