Terug naar Jeremia 36
VSV
Statenvertaling

Jeremia 36:9

En het geschiedde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, in de negende maand, dat men een vasten uitriep voor het aangezicht des HEEREN, voor al het volk in Jeruzalem en voor al het volk dat uit de steden van Juda naar Jeruzalem kwam.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 36 — omringende verzen

4

Toen riep Jeremia Baruch, de zoon van Nerija; en Baruch schreef uit de mond van Jeremia al de woorden van de HEER, die Hij tot hem gesproken had, op een boekrol.

5

En Jeremia gebood Baruch en zeide: Ik ben opgesloten; ik kan niet naar het huis des HEEREN gaan.

6

Ga gij daarom heen en lees uit de boekrol, die gij uit mijn mond geschreven hebt, de woorden des HEEREN voor de oren van het volk in het huis des HEEREN op de vastendag; en gij zult ze ook lezen voor de oren van heel Juda, die uit hun steden komen.

7

Misschien zullen zij hun smeekgebed voor het aangezicht des HEEREN brengen en zich bekeren, ieder van zijn boze weg, want groot is de toorn en de grimmigheid die de HEER over dit volk heeft uitgesproken.

8

En Baruch, de zoon van Neria, deed overeenkomstig alles wat de profeet Jeremia hem geboden had, lezende uit het boek de woorden des HEEREN in het huis des HEEREN.

9

En het geschiedde in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, in de negende maand, dat men een vasten uitriep voor het aangezicht des HEEREN, voor al het volk in Jeruzalem en voor al het volk dat uit de steden van Juda naar Jeruzalem kwam.

10

Toen las Baruch in het boek de woorden van Jeremia in het huis des HEEREN, in de kamer van Gemarja, de zoon van Safan, de schrijver, in de bovenste voorhof, bij de ingang van de nieuwe poort van het huis des HEEREN, voor de oren van het gehele volk.

11

Toen Michaja, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, uit het boek al de woorden des HEEREN gehoord had,

12

ging hij af naar het huis des konings, naar de kamer van de schrijver; en zie, daar zaten al de vorsten: Elisama, de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemarja, de zoon van Safan, en Sedekia, de zoon van Hananja, en al de vorsten.

13

En Michaja verkondigde hun al de woorden die hij gehoord had, toen Baruch het boek las voor de oren van het volk.

14

Daarom zonden al de vorsten Jehudi, de zoon van Nethanja, de zoon van Selemja, de zoon van Cuschi, tot Baruch, zeggende: Neem de boekrol in uw hand, waaruit gij gelezen hebt voor de oren van het volk, en kom. En Baruch, de zoon van Neria, nam de boekrol in zijn hand en kwam tot hen.