Terug naar Jeremia 4
VSV
Statenvertaling

Jeremia 4:6

Richt de banier op naar Sion: vlucht, stelt u niet op; want Ik breng een ramp van het noorden, en een grote verwoesting.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 4 — omringende verzen

1

Indien gij u wilt bekeren, o Israël, spreekt de HEER, bekeer u tot Mij; en indien gij uw gruwelen uit Mijn aangezicht wegdoet, zult gij niet hoeven te wijken.

2

En gij zult zweren: Zo waarlijk leeft de HEER, in waarheid, in recht en in gerechtigheid; dan zullen de volken zich in Hem zegenen, en in Hem zullen zij roemen.

3

Want zo zegt de HEER tot de mannen van Juda en Jeruzalem: Breek uw braakliggende grond om, en zaai niet onder de doornen.

4

Besnijdt u voor de HEER, en neemt de voorhuid van uw hart weg, gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem; opdat Mijn grimmigheid niet uitbreke als een vuur en brande, zodat niemand kan blussen, vanwege de boosheid van uw daden.

5

Verkondigt het in Juda, en laat het horen in Jeruzalem; zegt: Blaast de bazuin in het land; roept luid, vergadert u, en zegt: Verzamelt u, en laat ons ingaan in de versterkte steden.

6

Richt de banier op naar Sion: vlucht, stelt u niet op; want Ik breng een ramp van het noorden, en een grote verwoesting.

7

De leeuw is opgekomen uit zijn struikgewas, en de verwoester der volken is op weg; hij is uitgetrokken uit zijn plaats om uw land te verwoesten; uw steden zullen verwoest worden, zodat er geen inwoner meer in is.

8

Omgordt u hierom met rouwgewaad, weeklaagt en huilt; want de brandende toorn des HEREN heeft zich niet van ons afgekeerd.

9

En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEER, dat het hart van de koning zal vergaan, en het hart van de vorsten; en de priesters zullen ontzet zijn, en de profeten zullen verbaasd staan.

10

Toen zei ik: Ach, Heere HEER! Voorzeker hebt Gij dit volk en Jeruzalem ten zeerste bedrogen, zeggende: Gij zult vrede hebben; terwijl het zwaard tot aan de ziel doordrong.

11

Te dien tijde zal men tot dit volk en tot Jeruzalem zeggen: Een droge wind van de hoge plaatsen in de woestijn, op weg naar de dochter van Mijn volk, niet om te wannen noch om te reinigen.