Terug naar Jeremia 42
VSV
Statenvertaling

Jeremia 42:18

Want zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Gelijk als Mijn toorn en Mijn gramschap is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn gramschap over u worden uitgestort, wanneer gij Egypte binnengaat; en gij zult een voorwerp van verwensing, van ontzetting, van vloek en van smaad zijn; en gij zult deze plaats niet meer zien.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 42 — omringende verzen

13

Maar indien gij zegt: Wij zullen niet in dit land wonen, en ook de stem van de HEER, uw God, niet gehoorzamen,

14

zeggende: Neen, maar wij zullen naar het land Egypte gaan, waar wij geen oorlog zullen zien, noch het geluid van de bazuin zullen horen, noch gebrek aan brood zullen hebben; en daar zullen wij wonen:

15

Hoor dan nu het woord van de HEER, gij overblijfsel van Juda; zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Indien gij uw aangezicht vastberaden richt om naar Egypte in te gaan en daar te verblijven;

16

dan zal het geschieden, dat het zwaard, waarvoor gij vreest, u aldaar in het land Egypte zal achterhalen, en de honger, waarvoor gij bevreesd zijt, zal u aldaar in Egypte op de hielen volgen; en daar zult gij sterven.

17

Zo zal het gaan met alle mannen die hun aangezicht richten om naar Egypte te gaan en daar te verblijven; zij zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pestilentie; en niemand van hen zal ontkomen of ontvluchten aan het kwaad dat Ik over hen zal brengen.

18

Want zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Gelijk als Mijn toorn en Mijn gramschap is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, zo zal Mijn gramschap over u worden uitgestort, wanneer gij Egypte binnengaat; en gij zult een voorwerp van verwensing, van ontzetting, van vloek en van smaad zijn; en gij zult deze plaats niet meer zien.

19

De HEER heeft over u gesproken, gij overblijfsel van Juda: Gaat niet naar Egypte; weet zeker dat ik u heden gewaarschuwd heb.

20

Want gij hebt uw harten bedrogen, toen gij mij tot de HEER, uw God, zendt, zeggende: Bid voor ons tot de HEER, onze God; en alles wat de HEER, onze God, zal zeggen, dat maak ons bekend, en wij zullen het doen.

21

En nu heb ik het u heden bekendgemaakt; maar gij hebt de stem van de HEER, uw God, niet gehoorzaamd, noch iets waarvoor Hij mij tot u gezonden heeft.

22

Weet dan zeker dat gij zult sterven door het zwaard, door de honger en door de pestilentie, in de plaats waarheen gij begeert te gaan en te verblijven.