Terug naar Jeremia 43
VSV
Statenvertaling

Jeremia 43:5

Maar Johanan, de zoon van Kareah, en al de aanvoerders der strijdkrachten namen al het overblijfsel van Juda, die teruggekeerd waren uit alle volken waarheen zij verdreven waren, om in het land Juda te wonen;

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 43 — omringende verzen

1

En het geschiedde, dat toen Jeremia geëindigd had tot al het volk te spreken al de woorden van de HEER, hun God, waarvoor de HEER, hun God, hem tot hen gezonden had, al deze woorden,

2

sprak Azarja, de zoon van Hosaja, en Johanan, de zoon van Kareah, en al de hoogmoedige mannen, tot Jeremia, zeggende: Gij spreekt leugen; de HEER, onze God, heeft u niet gezonden om te zeggen: Gaat niet naar Egypte om daar te verblijven;

3

maar Baruch, de zoon van Neria, hitst u tegen ons op, om ons over te leveren in de hand der Chaldeën, opdat zij ons ter dood brengen en ons als gevangenen naar Babel voeren.

4

Zo gehoorzaamde Johanan, de zoon van Kareah, en al de aanvoerders der strijdkrachten, en al het volk, de stem van de HEER niet, om in het land Juda te wonen.

5

Maar Johanan, de zoon van Kareah, en al de aanvoerders der strijdkrachten namen al het overblijfsel van Juda, die teruggekeerd waren uit alle volken waarheen zij verdreven waren, om in het land Juda te wonen;

6

namelijk mannen, en vrouwen, en kinderen, en de dochters des konings, en ieder persoon die Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, had gelaten bij Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, en de profeet Jeremia, en Baruch, de zoon van Neria.

7

Zo kwamen zij in het land Egypte; want zij gehoorzaamden de stem van de HEER niet; en zo kwamen zij tot aan Tahpanhes.

8

Toen kwam het woord van de HEER tot Jeremia in Tahpanhes, zeggende:

9

Neem grote stenen in uw hand en verberg ze in de leem in de steenoven, die bij de ingang van het paleis van Farao in Tahpanhes is, voor de ogen van de mannen van Juda;

10

en zeg tot hen: Zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Zie, Ik zal zenden en Nebukadrezar, de koning van Babel, Mijn knecht, halen, en Ik zal zijn troon stellen op deze stenen die Ik verborgen heb; en hij zal zijn koninklijke tent over hen uitspreiden.