Terug naar Jeremia 44
VSV
Statenvertaling

Jeremia 44:7

Daarom, zo zegt de HEER, de God der heerscharen, de God van Israël: Waarom doet gij dit grote kwaad aan uw eigen zielen, om uit Juda man en vrouw, kind en zuigeling te verdelgen, zodat gij niemand overlaat?

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 44 — omringende verzen

2

Zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Gij hebt al het kwaad gezien dat Ik over Jeruzalem gebracht heb, en over alle steden van Juda; en zie, zij zijn heden een verwoesting, en niemand woont daarin,

3

vanwege hun goddeloosheid die zij begaan hebben om Mij tot toorn te verwekken, doordat zij gegaan zijn om wierook te branden en andere goden te dienen, die zij niet kenden, noch zij, noch gij, noch uw vaderen.

4

Nochtans zond Ik tot u al Mijn knechten, de profeten, vroeg opstaan en hen zenden, zeggende: Doet toch deze gruweldaad niet die Ik haat.

5

Maar zij luisterden niet en neigden hun oor niet om zich te bekeren van hun goddeloosheid, om geen wierook meer te branden aan andere goden.

6

Daarom werd Mijn gramschap en Mijn toorn uitgestort en aangestoken in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; en zij zijn tot een verwoesting en een woestenij geworden, zoals het heden ten dage is.

7

Daarom, zo zegt de HEER, de God der heerscharen, de God van Israël: Waarom doet gij dit grote kwaad aan uw eigen zielen, om uit Juda man en vrouw, kind en zuigeling te verdelgen, zodat gij niemand overlaat?

8

doordat gij Mij tot toorn verwekt met de werken uwer handen, wierook branden aan andere goden in het land Egypte, waarheen gij gegaan zijt om te wonen, opdat gij uzelf uitroeit en opdat gij een vloek en een smaad wordt onder alle volken der aarde?

9

Hebt gij de goddeloosheid uwer vaderen vergeten, en de goddeloosheid der koningen van Juda, en de goddeloosheid hunner vrouwen, en uw eigen goddeloosheid, en de goddeloosheid uwer vrouwen, die zij bedreven hebben in het land Juda en in de straten van Jeruzalem?

10

Zij zijn tot op deze dag niet vernederd, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet noch in Mijn inzettingen, die Ik voor u en voor uw vaderen gesteld heb.

11

Daarom zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Zie, Ik zal Mijn aangezicht tegen u keren ten kwade, en om gans Juda uit te roeien.

12

En Ik zal het overblijfsel van Juda nemen, die hun aangezicht vastberaden gericht hebben om naar het land Egypte te gaan om daar te verblijven, en zij zullen allen verteerd worden en vallen in het land Egypte; zij zullen verteerd worden door het zwaard en door de honger; zij zullen sterven, van de kleinste tot de grootste, door het zwaard en door de honger; en zij zullen een voorwerp van verwensing, van ontzetting, van vloek en van smaad zijn.