Terug naar Jeremia 49
VSV
Statenvertaling

Jeremia 49:16

Uw geduchtheid heeft u bedrogen, en de trots van uw hart, O gij die woont in de spleten van de rots, die de hoogte van de heuvel vasthoudt; al maaktet gij uw nest zo hoog als de arend, Ik zal u van daar neerhalen, zegt de HEER.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 49 — omringende verzen

11

Laat uw wezen kinderen achter, Ik zal hen in leven bewaren; en laat uw weduwen op Mij vertrouwen.

12

Want zo zegt de HEER: Zie, zij die niet bestemd waren om de beker te drinken, hebben hem zeker gedronken; en zoudt gij degene zijn die geheel ongestraft zou blijven? Gij zult niet ongestraft blijven, maar gij zult hem zeker drinken.

13

Want Ik heb bij Mijzelf gezworen, zegt de HEER, dat Bozra tot een verwoesting zal worden, een smaad, een woestenij en een vloek; en al zijn steden zullen eeuwigdurende woestenijen zijn.

14

Ik heb een gerucht gehoord van de HEER, en een bode is gezonden tot de heidenvolken, zeggende: Verzamelt u en komt tegen haar, en staat op tot de strijd.

15

Want zie, Ik zal u klein maken onder de heidenvolken en veracht onder de mensen.

16

Uw geduchtheid heeft u bedrogen, en de trots van uw hart, O gij die woont in de spleten van de rots, die de hoogte van de heuvel vasthoudt; al maaktet gij uw nest zo hoog als de arend, Ik zal u van daar neerhalen, zegt de HEER.

17

Ook Edom zal een verwoesting worden; ieder die erlangs gaat, zal ontzet zijn en sissen vanwege al zijn plagen.

18

Zoals bij de omverwerping van Sodom en Gomorra en de naburige steden daarvan, zegt de HEER, zal er niemand wonen en geen mensenkind er verblijven.

19

Zie, hij zal optrekken als een leeuw uit de zwelling van de Jordaan tegen de vaste woonplaats; maar Ik zal hem plotseling doen wegrennen van haar; en wie is de uitverkoren man, die Ik over haar zal aanstellen? Want wie is gelijk aan Mij? en wie zal Mij dagvaarden? en wie is die herder die voor Mij zal bestaan?

20

Hoor daarom de raad van de HEER, die Hij tegen Edom heeft genomen, en Zijn voornemens, die Hij heeft gevat tegen de inwoners van Teman: Voorwaar, de geringsten van de kudde zullen hen wegslepen; voorwaar, Hij zal hun woonplaatsen met hen verwoesten.

21

De aarde beeft bij het geluid van hun val; bij de kreet werd het rumoer ervan gehoord aan de Rode Zee.