Jeremia 50:41
“Zie, een volk komt uit het noorden, en een grote natie, en vele koningen worden opgewekt van de uiteinden der aarde.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 50 — omringende verzen
Een zwaard is over de leugenaars; en zij zullen dwazen worden; een zwaard is over haar dappere mannen en zij zullen ontsteld zijn.
37Een zwaard is over hun paarden en over hun wagens en over al het gemengde volk dat in haar midden is; en zij zullen worden als vrouwen; een zwaard is over haar schatten en zij zullen worden geplunderd.
38Een droogte is over haar wateren en zij zullen uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden en zij zijn dol op hun afgoden.
39Daarom zullen de wilde dieren der woestijn met de wilde dieren der eilanden daar wonen, en de uilen zullen er wonen; en het zal voor eeuwig niet meer bewoond worden, noch van geslacht tot geslacht bewoond zijn.
40Zoals God Sodom en Gomorra en haar naburige steden omgekeerd heeft, zegt de HEER, zo zal geen mens daar verblijven, noch enig mensenkind er wonen.
Zie, een volk komt uit het noorden, en een grote natie, en vele koningen worden opgewekt van de uiteinden der aarde.
Zij grijpen naar boog en lans; zij zijn wreed en zullen geen genade betonen; hun stem bruist als de zee, en zij rijden op paarden, allen in slagorde opgesteld, als een man ten strijde, tegen u, o dochter van Babel.
43De koning van Babel heeft het gerucht over hen gehoord, en zijn handen werden slap; angst greep hem aan, en weeën als van een vrouw in barensnood.
44Zie, hij zal optrekken als een leeuw uit de waterstromen van de Jordaan naar de vaste woonplaats; maar Ik zal hen plotseling van haar doen wegvluchten. En wie is de uitverkoren man die Ik over haar zal aanstellen? Want wie is Mij gelijk? En wie zal Mij ter verantwoording roepen? En wie is die herder die voor Mijn aangezicht zal standhouden?
45Hoort daarom de raad van de HEER, die Hij tegen Babel heeft genomen, en Zijn plannen, die Hij tegen het land der Chaldeeën heeft beraamd: Voorwaar, de geringsten van de kudde zullen hen meesleuren; voorwaar, Hij zal hun woonplaats met hen verwoesten.
46Bij het gerucht van de inneming van Babel beeft de aarde, en de kreet wordt gehoord onder de volken.