Jeremia 51:58
“Zo zegt de HEER der heerscharen: De brede muren van Babel zullen geheel worden afgebroken, en haar hoge poorten zullen met vuur worden verbrand; en de volken zullen tevergeefs arbeiden, en de volkeren in het vuur, en zij zullen uitgeput zijn.”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 51 — omringende verzen
Al zou Babel oprijzen tot de hemel, en al zou zij de hoogte van haar sterkte versterken, toch zullen er van Mij verwoestende vijanden over haar komen, zegt de HEER.
54Het geluid van een kreet komt uit Babel, en grote verwoesting uit het land der Chaldeeën;
55Want de HEER heeft Babel verwoest en de grote stem daaruit vernietigd; wanneer haar golven bulderen als grote wateren, klinkt het rumoer van hun stem op;
56Want de verwoester is over haar gekomen, ja over Babel, en haar machtige mannen zijn gevangen genomen, ieders boog is gebroken; want de HEER God der vergeldingen zal zeker vergelden.
57En Ik zal haar vorsten en haar wijzen, haar aanvoerders en haar bestuurders en haar machtige mannen dronken maken; en zij zullen een eeuwige slaap slapen en niet ontwaken, zegt de Koning, wiens naam is HEER der heerscharen.
Zo zegt de HEER der heerscharen: De brede muren van Babel zullen geheel worden afgebroken, en haar hoge poorten zullen met vuur worden verbrand; en de volken zullen tevergeefs arbeiden, en de volkeren in het vuur, en zij zullen uitgeput zijn.
Het woord dat de profeet Jeremia opdroeg aan Seraja, de zoon van Nerja, de zoon van Maäseja, toen hij met Zedekia, de koning van Juda, naar Babel ging in het vierde jaar van zijn regering. En deze Seraja was een stille vorst.
60Zo schreef Jeremia in een boek al het onheil dat over Babel komen zou, al deze woorden die tegen Babel geschreven zijn.
61En Jeremia zei tegen Seraja: Wanneer gij te Babel gekomen zijt en dit alles zult zien, lees dan al deze woorden voor;
62En zeg dan: O HEER, U hebt tegen deze plaats gesproken, om haar uit te roeien, zodat er niemand in zal overblijven, noch mens noch dier, maar dat zij tot in eeuwigheid verlaten zal zijn.
63En het zal geschieden, wanneer gij dit boek uitgelezen hebt, dat gij er een steen aan vastbindt en het in het midden van de Eufraat werpt;