Terug naar Jeremia 6
VSV
Statenvertaling

Jeremia 6:12

En hun huizen zullen aan anderen toevallen, met hun akkers en vrouwen tesamen: want Ik zal Mijn hand uitstrekken over de bewoners van het land, zegt de HEER.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 6 — omringende verzen

7

Zoals een fontein haar water uitwerpt, zo werpt zij haar boosheid uit: geweld en roof wordt in haar gehoord; voor Mijn aangezicht is voortdurend verdriet en wonden.

8

Laat u onderwijzen, o Jeruzalem, opdat Mijn ziel zich niet van u afwende; opdat Ik u niet tot een woestenij make, een land dat niet bewoond wordt.

9

Zo zegt de HEER der heerscharen: Zij zullen het overblijfsel van Israël grondig nalezen zoals een wijnstok; keer uw hand terug als een druivenplukker naar de manden.

10

Tot wie zal ik spreken en waarschuwen, zodat zij horen? zie, hun oor is onbesneden en zij kunnen niet luisteren: zie, het woord van de HEER is hun tot een smaad; zij hebben er geen behagen in.

11

Daarom ben ik vol van de toorn van de HEER; ik ben moede van het inhouden: ik zal het uitgieten over de kinderen op straat, en over de vergadering der jongelingen tesamen: want zelfs de man met de vrouw zal gevangen worden, de oude met hem die vol van dagen is.

12

En hun huizen zullen aan anderen toevallen, met hun akkers en vrouwen tesamen: want Ik zal Mijn hand uitstrekken over de bewoners van het land, zegt de HEER.

13

Want van de kleinste tot de grootste is ieder van hen op winst belust; en van de profeet tot de priester bedrijft ieder van hen bedrog.

14

Zij hebben ook de wond van de dochter van Mijn volk slechts oppervlakkig geheeld, zeggende: Vrede, vrede; terwijl er geen vrede is.

15

Schaamden zij zich, toen zij een gruwel begaan hadden? neen, zij schaamden zich in het geheel niet en konden niet blozen: daarom zullen zij vallen onder hen die vallen: ten tijde dat Ik hen bezoek, zullen zij struikelen, zegt de HEER.

16

Zo zegt de HEER: Staat op de wegen en ziet, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, en wandelt daarin, en gij zult rust vinden voor uw zielen. Maar zij zeiden: Wij willen daarin niet wandelen.

17

Ook heb Ik wachters over u gesteld, zeggende: Geeft acht op het geluid van de bazuin. Maar zij zeiden: Wij willen niet luisteren.