Jeremia 7:22
“Want Ik heb tot uw vaderen niet gesproken, noch hun iets geboden op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, betreffende brandoffers of slachtoffers;”
Kruisverwijzingen
Context
Jeremia 7 — omringende verzen
Ziet gij niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?
18De kinderen sprokkelen hout, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om offerkoeken te maken voor de koningin des hemels, en plengoffers te plegen aan andere goden, om Mij tot toorn te verwekken.
19Verwekken zij Mij tot toorn? zegt de HEER: verwekken zij niet zichzelf tot schande van hun eigen aangezicht?
20Daarom zegt de Heer HEER aldus: Zie, Mijn toorn en Mijn grimmigheid zullen uitgestort worden over deze plaats, over mens en dier, over de bomen des velds en over de vrucht van de aardbodem; en zij zal branden en niet worden uitgeblust.
21Zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Voeg uw brandoffers bij uw slachtoffers en eet vlees.
Want Ik heb tot uw vaderen niet gesproken, noch hun iets geboden op de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde, betreffende brandoffers of slachtoffers;
Maar dit gebod gaf Ik hun, zeggende: Gehoorzaamt Mijn stem, dan zal Ik uw God zijn en gij zult Mijn volk zijn; en wandelt in al de wegen die Ik u geboden heb, opdat het u welga.
24Maar zij hoorden niet en neigden hun oor niet, maar wandelden in de raadslagen en in de verstoktheid van hun boos hart, en gingen achterwaarts en niet voorwaarts.
25Van de dag af dat uw vaderen uit het land Egypte uittrokken tot op deze dag, heb Ik al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg opstaand tot u gezonden;
26Maar zij hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet, maar verhardden hun nek; zij deden erger dan hun vaderen.
27Daarom zult gij al deze woorden tot hen spreken; maar zij zullen niet naar u horen: gij zult hen ook roepen; maar zij zullen u niet antwoorden.