Terug naar Jeremia 9
VSV
Statenvertaling

Jeremia 9:12

Wie is de wijze man die dit kan begrijpen? En wie is hij tot wie de mond van de HEER gesproken heeft, dat hij het kan verkondigen, waarom het land vergaat en verbrand wordt als een woestijn, zodat niemand er doorheen trekt?

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 9 — omringende verzen

7

Daarom zegt de HEER der heerscharen aldus: Zie, Ik zal hen smelten en beproeven; want hoe zal Ik het doen met de dochter van Mijn volk?

8

Hun tong is een afgezonden pijl; zij spreekt bedrog: met de mond spreekt men vriendelijk tot zijn naaste, maar in zijn hart legt hij een hinderlaag.

9

Zal Ik hen hierover niet bezoeken? zegt de HEER: zal Mijn ziel geen wraak nemen op zo'n volk als dit?

10

Want over de bergen zal ik een geween en gejammer aanheffen, en over de weiden van de woestijn een klaaglied, omdat zij verwoest zijn, zodat niemand er doortrekt; noch kan men er de stem van het vee horen; zowel het gevogelte des hemels als het gedierte zijn gevlucht en weggegaan.

11

En Ik zal Jeruzalem tot puinhopen maken, en tot een schuilplaats van jakhalzen; en de steden van Juda zal Ik tot een woestenij maken, zonder inwoner.

12

Wie is de wijze man die dit kan begrijpen? En wie is hij tot wie de mond van de HEER gesproken heeft, dat hij het kan verkondigen, waarom het land vergaat en verbrand wordt als een woestijn, zodat niemand er doorheen trekt?

13

En de HEER zegt: Omdat zij Mijn wet verlaten hebben, die Ik hun voorgehouden heb, en Mijn stem niet gehoorzaamd hebben, noch daarnaar gewandeld hebben;

14

Maar gewandeld hebben naar de verharding van hun eigen hart, en naar de Baäls, die hun vaderen hun geleerd hebben;

15

Daarom, zo zegt de HEER der heerscharen, de God van Israël: Zie, Ik zal dit volk voeden met alsem, en hun water van gal te drinken geven.

16

Ik zal hen ook verstrooien onder de heidenen, die zij noch hun vaderen gekend hebben; en Ik zal een zwaard achter hen aan zenden, totdat Ik hen verteerd heb.

17

Zo zegt de HEER der heerscharen: Overweegt dit, en roept de klaagvrouwen, opdat zij komen; en zendt naar de wijze vrouwen, opdat zij komen;