Terug naar Jeremia 9
VSV
Statenvertaling

Jeremia 9:5

En een ieder bedriegt zijn naaste, en zij spreken de waarheid niet: zij hebben hun tong geleerd leugen te spreken, en vermoeien zich om ongerechtigheid te bedrijven.

Kruisverwijzingen

Context

Jeremia 9 — omringende verzen

1

O, ware mijn hoofd wateren, en mijn oog een fontein van tranen, opdat ik dag en nacht mocht wenen over de verslagenen van de dochter van Mijn volk!

2

O, had ik in de woestijn een herberg voor reizigers; dan zou ik mijn volk verlaten en van hen weggaan! Want zij zijn allen overspelers, een vergadering van trouweloze mannen.

3

En zij spannen hun tong als hun boog voor leugen; maar voor de waarheid zijn zij niet sterk op de aarde; want zij gaan voort van het ene kwaad tot het andere, en zij kennen Mij niet, zegt de HEER.

4

Wacht u, een ieder voor zijn naaste, en vertrouwt geen broeder: want elke broeder zal hoe dan ook bedriegen, en elke naaste zal met lasteringen omgaan.

5

En een ieder bedriegt zijn naaste, en zij spreken de waarheid niet: zij hebben hun tong geleerd leugen te spreken, en vermoeien zich om ongerechtigheid te bedrijven.

6

Uw woning is te midden van bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, zegt de HEER.

7

Daarom zegt de HEER der heerscharen aldus: Zie, Ik zal hen smelten en beproeven; want hoe zal Ik het doen met de dochter van Mijn volk?

8

Hun tong is een afgezonden pijl; zij spreekt bedrog: met de mond spreekt men vriendelijk tot zijn naaste, maar in zijn hart legt hij een hinderlaag.

9

Zal Ik hen hierover niet bezoeken? zegt de HEER: zal Mijn ziel geen wraak nemen op zo'n volk als dit?

10

Want over de bergen zal ik een geween en gejammer aanheffen, en over de weiden van de woestijn een klaaglied, omdat zij verwoest zijn, zodat niemand er doortrekt; noch kan men er de stem van het vee horen; zowel het gevogelte des hemels als het gedierte zijn gevlucht en weggegaan.