Terug naar Jesaja 26
VSV
Statenvertaling

Jesaja 26:10

Al wordt de goddeloze genade bewezen, toch leert hij geen gerechtigheid; in het land der rechtheid handelt hij onrechtvaardig, en ziet de majesteit van de HEER niet.

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 26 — omringende verzen

5

Want Hij vernedert hen die op hoge plaatsen wonen; de verheven stad legt Hij laag; Hij legt haar laag, ja tot de grond; Hij brengt haar neer tot in het stof.

6

De voet zal haar vertrappen, zelfs de voeten van de arme, en de stappen van de behoeftige.

7

De weg van de rechtvaardige is rechtheid: U, o Allerhoogste, maakt de weg van de rechtvaardige effen.

8

Ja, op de weg van Uw oordelen, o HEER, hebben wij op U gewacht; het verlangen van onze ziel gaat uit naar Uw naam en naar Uw gedachtenis.

9

Met mijn ziel heb ik U begeert in de nacht; ja, met mijn geest binnen in mij zal ik U vroeg zoeken; want wanneer Uw oordelen op aarde zijn, leren de bewoners van de wereld gerechtigheid.

10

Al wordt de goddeloze genade bewezen, toch leert hij geen gerechtigheid; in het land der rechtheid handelt hij onrechtvaardig, en ziet de majesteit van de HEER niet.

11

HEER, wanneer Uw hand omhoog is geheven, zien zij het niet; maar zij zullen het zien en beschaamd worden vanwege hun afgunst jegens het volk; ja, het vuur van Uw vijanden zal hen verteren.

12

HEER, U zult vrede voor ons bereiden; want ook al onze werken hebt U in ons gewrocht.

13

O HEER onze God, andere heren dan U hebben over ons geheerst; maar door U alleen zullen wij Uw naam gedenken.

14

Zij zijn dood, zij zullen niet leven; zij zijn gestorven, zij zullen niet opstaan; daarom hebt U hen bezocht en vernietigd, en al hun gedachtenis doen vergaan.

15

U hebt het volk vermenigvuldigd, o HEER, U hebt het volk vermenigvuldigd; U bent verheerlijkt; U hebt het ver weggedreven naar alle einden der aarde.