Jesaja 29:8
“Het zal zijn zoals wanneer een hongerig man droomt, en zie, hij eet; maar hij ontwaakt, en zijn ziel is leeg; of zoals wanneer een dorstige man droomt, en zie, hij drinkt; maar hij ontwaakt, en zie, hij is mat, en zijn ziel hunkert; zo zal de menigte van alle volken zijn die strijden tegen de berg Sion.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 29 — omringende verzen
En Ik zal rondom u legerkampen opslaan, en Ik zal u belegeren met een schans, en Ik zal belegeringstorens tegen u oprichten.
4En gij zult worden neergebracht, en gij zult spreken vanuit de grond, en uw spraak zal laag zijn vanuit het stof, en uw stem zal zijn als die van een geest vanuit de grond, en uw spraak zal fluisteren vanuit het stof.
5En de menigte van uw vreemdelingen zal zijn als fijn stof, en de menigte der geweldigen zal zijn als kaf dat voorbijdrijft; ja, het zal in een ogenblik plotseling geschieden.
6Gij zult bezocht worden door de HEER der heerscharen met donder, en met aardbeving, en groot gedreun, met storm en wervelwind, en met de vlam van een verterend vuur.
7En de menigte van alle volken die tegen Ariël strijden, ja, allen die tegen haar strijden en tegen haar vestingwerk, en haar benauwen, zullen zijn als een droom van een nachtelijk gezicht.
Het zal zijn zoals wanneer een hongerig man droomt, en zie, hij eet; maar hij ontwaakt, en zijn ziel is leeg; of zoals wanneer een dorstige man droomt, en zie, hij drinkt; maar hij ontwaakt, en zie, hij is mat, en zijn ziel hunkert; zo zal de menigte van alle volken zijn die strijden tegen de berg Sion.
Houdt u, en verwondert u; gilt en roept het uit: zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterkedrank.
10Want de HEER heeft over u uitgestort een geest van diepe slaap, en heeft uw ogen gesloten; de profeten en uw oversten, de zieners heeft Hij bedekt.
11En het gehele gezicht is voor u geworden als de woorden van een verzegeld boek, dat men geeft aan iemand die geletterd is en zegt: Lees dit toch; maar hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld.
12En het boek wordt gegeven aan iemand die niet geletterd is en men zegt: Lees dit toch; maar hij zegt: Ik ben niet geletterd.
13Daarom heeft de Heer gezegd: Omdat dit volk tot Mij nadert met zijn mond en Mij met zijn lippen eert, maar zijn hart ver van Mij verwijderd heeft, en hun vrees voor Mij een aangeleerd gebod van mensen is,