Terug naar Jesaja 44
VSV
Statenvertaling

Jesaja 44:17

En van het overige daarvan maakt hij een god, zijn gesneden beeld; hij valt ervoor neder en buigt zich, en bidt tot het en zegt: Verlos mij, want gij zijt mijn god.

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 44 — omringende verzen

12

De smid maakt een bijl, en werkt in de kolen, en formeert het met hamers, en bewerkt het met de kracht van zijn arm; ja, hij krijgt honger, en zijn kracht bezwijkt; hij drinkt geen water, en wordt mat.

13

De timmerman spant een meetsnoer uit; hij tekent het af met rood krijt; hij bewerkt het met schaven, en hij tekent het af met een passer, en maakt het naar de gestalte van een man, naar de schoonheid van een mens, opdat het in een huis blijve.

14

Hij houwt voor zich ceders om, en neemt een cypres en een eik, die hij zich versterkt onder de bomen des wouds; hij plant een es, en de regen doet hem opgroeien.

15

Dan zal het de mens zijn tot het stoken van vuur; daarvan neemt hij en warmt zich; ja, hij steekt het aan en bakt brood; ja, hij maakt er een god van en buigt zich ervoor neer; hij maakt er een gesneden beeld van en valt ervoor neder.

16

Een deel daarvan verbrandt hij in het vuur; bij een ander deel daarvan eet hij vlees; hij braadt een gebraad en wordt verzadigd. Ja, hij warmt zich en zegt: Aha, ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien.

17

En van het overige daarvan maakt hij een god, zijn gesneden beeld; hij valt ervoor neder en buigt zich, en bidt tot het en zegt: Verlos mij, want gij zijt mijn god.

18

Zij weten niet en begrijpen niet, want Hij heeft hun ogen toegesmeerd, zodat zij niet zien, en hun harten, zodat zij niet verstaan.

19

En niemand neemt het ter harte, en er is geen kennis noch verstand om te zeggen: Ik heb een deel daarvan in het vuur verbrand, ja, ik heb ook brood gebakken op zijn kolen; ik heb vlees gebraden en het gegeten; en zou ik van het overige daarvan een gruwel maken? Zou ik mij neerbuigen voor een blok hout?

20

Hij voedt zich met as; een bedrogen hart heeft hem afgeleid, zodat hij zijn ziel niet kan verlossen, noch zeggen: Is er geen leugen in mijn rechterhand?

21

Gedenk deze dingen, o Jakob en Israël, want gij zijt Mijn dienaar. Ik heb u geformeerd, gij zijt Mijn dienaar; o Israël, gij zult door Mij niet vergeten worden.

22

Ik heb uw overtredingen uitgewist als een dikke wolk, en uw zonden als een wolk: keer terug tot Mij, want Ik heb u verlost.