Jesaja 49:1
“Luistert naar Mij, o eilanden, en hoort toe, gij volkeren van verre; de HEER heeft Mij geroepen van de moederschoot af; van de schoot van Mijn moeder af heeft Hij Mijn naam vermeld.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 49 — omringende verzen
Luistert naar Mij, o eilanden, en hoort toe, gij volkeren van verre; de HEER heeft Mij geroepen van de moederschoot af; van de schoot van Mijn moeder af heeft Hij Mijn naam vermeld.
En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard; in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen, en Mij gemaakt tot een gepolijste pijl; in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.
3En Hij zei tot Mij: Gij zijt Mijn knecht, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken.
4Toen zei Ik: Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht besteed aan ijdelheid en leegte; doch gewis, Mijn recht is bij de HEER, en Mijn loon bij Mijn God.
5En nu, zegt de HEER, Die Mij van de moederschoot af gevormd heeft tot Zijn knecht, om Jakob tot Hem terug te brengen — hoewel Israël niet bijeengebracht wordt, toch ben Ik verheerlijkt in de ogen van de HEER, en Mijn God is Mijn kracht.
6En Hij zei: Het is te gering dat Gij Mijn knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik zal U ook geven tot een licht voor de heidenen, opdat Gij Mijn heil zoudt zijn tot aan het einde der aarde.