Terug naar Jesaja 49
VSV
Statenvertaling

Jesaja 49:7

Zo zegt de HEER, de Verlosser van Israël, zijn Heilige, tot hem die door mensen veracht wordt, tot hem die door het volk verafschuwd wordt, tot een knecht van heersers: Koningen zullen het zien en opstaan, vorsten ook zullen zich neerbuigen, om de HEER die getrouw is, en de Heilige Israëls, Die u heeft uitverkoren.

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 49 — omringende verzen

2

En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard; in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen, en Mij gemaakt tot een gepolijste pijl; in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.

3

En Hij zei tot Mij: Gij zijt Mijn knecht, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken.

4

Toen zei Ik: Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht besteed aan ijdelheid en leegte; doch gewis, Mijn recht is bij de HEER, en Mijn loon bij Mijn God.

5

En nu, zegt de HEER, Die Mij van de moederschoot af gevormd heeft tot Zijn knecht, om Jakob tot Hem terug te brengen — hoewel Israël niet bijeengebracht wordt, toch ben Ik verheerlijkt in de ogen van de HEER, en Mijn God is Mijn kracht.

6

En Hij zei: Het is te gering dat Gij Mijn knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob op te richten en de bewaarden van Israël terug te brengen; Ik zal U ook geven tot een licht voor de heidenen, opdat Gij Mijn heil zoudt zijn tot aan het einde der aarde.

7

Zo zegt de HEER, de Verlosser van Israël, zijn Heilige, tot hem die door mensen veracht wordt, tot hem die door het volk verafschuwd wordt, tot een knecht van heersers: Koningen zullen het zien en opstaan, vorsten ook zullen zich neerbuigen, om de HEER die getrouw is, en de Heilige Israëls, Die u heeft uitverkoren.

8

Zo zegt de HEER: In een aangenaam tijdstip heb Ik u verhoord, en in een dag des heils heb Ik u geholpen; en Ik zal u bewaren en u geven tot een verbond voor het volk, om het land op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven.

9

Opdat gij zoudt zeggen tot de gevangenen: Gaat uit; tot hen die in duisternis zijn: Toont u. Zij zullen weiden langs de wegen, en hun weidegronden zullen zijn op alle hoge plaatsen.

10

Zij zullen niet hongeren noch dorsten; hitte noch zon zal hen treffen; want Die hen ontfermt, zal hen leiden, en hen voeren aan de waterbronnen.

11

En Ik zal al Mijn bergen maken tot een weg, en Mijn heerbanen zullen verhoogd worden.

12

Zie, dezen zullen van verre komen; en zie, dezen van het noorden en van het westen, en dezen uit het land Sinim.