Jesaja 53:2
“Want Hij is opgeschoten voor Zijn aangezicht als een teer rijsje, en als een wortel uit dorre grond; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid, en toen wij Hem aanzagen, was er geen schoonheid dat wij Hem begeerd zouden hebben.”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 53 — omringende verzen
Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm des HEREN geopenbaard?
Want Hij is opgeschoten voor Zijn aangezicht als een teer rijsje, en als een wortel uit dorre grond; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid, en toen wij Hem aanzagen, was er geen schoonheid dat wij Hem begeerd zouden hebben.
Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid; en wij verborgen als het ware ons aangezicht voor Hem; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht.
4Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.
5Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
6Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een ieder naar zijn eigen weg; maar de HEER heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
7Hij is mishandeld, maar Hij verdrukte Zichzelf, en deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.