Terug naar Jesaja 59
VSV
Statenvertaling

Jesaja 59:6

Hun webben zullen niet tot kleding worden en zij zullen zich niet bedekken met hun werken; hun werken zijn werken van ongerechtigheid en de daad van geweld is in hun handen.

Kruisverwijzingen

Context

Jesaja 59 — omringende verzen

1

Zie, de hand van de HEER is niet te kort om te verlossen, en Zijn oor niet te zwaar om te horen;

2

Maar uw ongerechtigheden maken scheiding tussen u en uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht voor u, zodat Hij niet hoort.

3

Want uw handen zijn bevlekt met bloed en uw vingers met ongerechtigheid; uw lippen hebben leugen gesproken, uw tong heeft boosheid gemompeld.

4

Niemand roept om gerechtigheid en niemand pleit met waarheid; zij vertrouwen op ijdelheid en spreken leugen; zij ontvangen moeite en baren ongerechtigheid.

5

Zij broeden basiliskeneieren uit en weven spinnenwebben; wie van hun eieren eet, sterft, en wordt het gebroken, dan komt er een adder uit.

6

Hun webben zullen niet tot kleding worden en zij zullen zich niet bedekken met hun werken; hun werken zijn werken van ongerechtigheid en de daad van geweld is in hun handen.

7

Hun voeten lopen naar het kwade en zij haasten zich om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten van ongerechtigheid; verwoesting en verbreking zijn op hun wegen.

8

De weg des vredes kennen zij niet en er is geen recht in hun gangen; zij maken zich kromme paden; wie daarin gaat, kent geen vrede.

9

Daarom is het recht verre van ons en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op licht, maar zie, duisternis; op helderheid, maar wij wandelen in donkerheid.

10

Wij tasten naar de wand als blinden en wij tasten als zonder ogen; wij struikelen op de middag als in de schemering; wij zijn op woeste plaatsen als doden.

11

Wij brullen allen als beren en kermen zeer als duiven; wij wachten op recht, maar er is geen; op heil, maar het is verre van ons.