Jesaja 6:11
“Toen zei ik: Heer, hoe lang? En Hij antwoordde: Totdat de steden verwoest zijn zonder bewoner, en de huizen zonder mensen, en het land volkomen verlaten is,”
Kruisverwijzingen
Context
Jesaja 6 — omringende verzen
Toen vloog een van de serafs naar mij toe, met in zijn hand een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar had genomen,
7en hij legde die op mijn mond en zei: Zie, dit heeft uw lippen aangeraakt; uw ongerechtigheid is weggenomen en uw zonde is verzoend.
8Ook hoorde ik de stem van de Heer, die zei: Wie zal Ik zenden, en wie zal voor Ons gaan? Toen zei ik: Hier ben ik, zend mij.
9En Hij zei: Ga, en zeg tot dit volk: Hoor wel, maar verstaat niet; zie wel, maar merkt niet.
10Maak het hart van dit volk vet, maak hun oren zwaar en sluit hun ogen, opdat zij niet zien met hun ogen, en niet horen met hun oren, en niet verstaan met hun hart, en zich bekeren, en genezen worden.
Toen zei ik: Heer, hoe lang? En Hij antwoordde: Totdat de steden verwoest zijn zonder bewoner, en de huizen zonder mensen, en het land volkomen verlaten is,
en de HEER de mensen ver heeft weggedaan, en er een grote verlatenheid is in het midden van het land.
13Maar er zal nog een tiende deel in zijn, en dit zal terugkeren en worden afgegraasd; zoals een terebint en als een eik, wier stam in hen is als zij hun bladeren afwerpen — zo zal het heilige zaad de stam daarvan zijn.