Terug naar Jozua 11
VSV
Statenvertaling

Jozua 11:16

Aldus nam Jozua het gehele land in, het bergland en het gehele zuidland en het gehele land Gosen en het dal en de vlakte en het bergland van Israël en de laagte daarvan;

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 11 — omringende verzen

11

En zij sloegen alle zielen die daarin waren met de scherpte des zwaards, en vernietigden hen volkomen; er bleef niemand over die adem had; en hij verbrandde Hazor met vuur.

12

En al de steden van die koningen, en al de koningen van die steden, nam Jozua in, en hij sloeg hen met de scherpte des zwaards, en vernietigde hen volkomen, gelijk Mozes, de knecht des HEREN, geboden had.

13

Maar wat betreft de steden die op hun heuvels stonden, die verbrandde Israël niet, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.

14

En al de buit van die steden, en het vee, namen de kinderen Israëls voor zichzelf tot een roof; maar elk mens sloegen zij met de scherpte des zwaards, totdat zij hen vernietigd hadden, en zij lieten niemand overblijven die adem had.

15

Gelijk de HEER zijn knecht Mozes geboden had, zo gebood Mozes het Jozua, en zo deed Jozua; hij liet niets na van alles wat de HEER Mozes geboden had.

16

Aldus nam Jozua het gehele land in, het bergland en het gehele zuidland en het gehele land Gosen en het dal en de vlakte en het bergland van Israël en de laagte daarvan;

17

Van de berg Halak die naar Seïr oprijst, tot aan Baäl-Gad in het dal van de Libanon, onder de berg Hermon; en al hun koningen nam hij in, sloeg hij en doodde hij.

18

Jozua voerde een lange tijd oorlog tegen al die koningen.

19

Er was geen stad die vrede sloot met de kinderen Israëls, behalve de Hevieten, de inwoners van Gibeon; allen anderen namen zij in den strijd.

20

Want het was van de HEER om hun harten te verharden, zodat zij Israël in de strijd tegenkwamen, opdat hij hen volkomen zou kunnen vernielen, en opdat zij geen genade zouden vinden, maar opdat hij hen zou vernielen, gelijk de HEER Mozes geboden had.

21

En te dier tijd kwam Jozua en roeide de Enakieten uit van de bergen, van Hebron, van Debir, van Anab, en van alle bergen van Juda, en van alle bergen van Israël; Jozua vernietigde hen volkomen met hun steden.