Jozua 11:2
“En tot de koningen die in het noorden waren, in het bergland en in de vlakten ten zuiden van Cinneroth, en in het dal, en op de hoogten van Dor aan de westzijde,”
Kruisverwijzingen
Context
Jozua 11 — omringende verzen
En het geschiedde, toen Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, dat hij zond tot Jobab, de koning van Madon, en tot de koning van Simron, en tot de koning van Achsaph,
En tot de koningen die in het noorden waren, in het bergland en in de vlakten ten zuiden van Cinneroth, en in het dal, en op de hoogten van Dor aan de westzijde,
En tot de Kanaänieten aan het oosten en aan het westen, en de Amorieten en de Hethieten en de Ferezieten en de Jebusieten in het bergland, en de Hevieten onder de Hermon in het land Mizpa.
4En zij trokken uit, zij en al hun legers met hen, een groot volk, zo talrijk als het zand aan de oever der zee, met zeer veel paarden en wagens.
5En al deze koningen kwamen bijeen, en zij trokken op en legerden zich gezamenlijk bij de wateren van Merom, om tegen Israël te strijden.
6En de HEER zeide tot Jozua: Wees niet bevreesd voor hen; want morgen omstreeks deze tijd zal Ik hen allen als verslagenen voor Israël overleveren; hun paarden zult gij de kniepezen doorsnijden en hun wagens met vuur verbranden.
7Zo kwam Jozua, en al het krijgsvolk met hem, plotseling tegen hen aan bij de wateren van Merom; en zij vielen over hen.