Terug naar Jozua 17
VSV
Statenvertaling

Jozua 17:9

En de grens daalde af tot aan de rivier de Kana, ten zuiden van de rivier; deze steden van Efraïm liggen temidden van de steden van Manasse; de grens van Manasse liep ook aan de noordzijde van de rivier, en de uitgangen daarvan waren aan de zee;

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 17 — omringende verzen

4

En zij traden naderbij voor Eleazar de priester, en voor Jozua de zoon van Nun, en voor de vorsten, en zeiden: De HEER heeft Mozes geboden ons een erfenis te geven onder onze broederen. Derhalve gaf hij hun, naar het bevel van de HEER, een erfenis onder de broederen van hun vader.

5

En er vielen tien delen aan Manasse, behalve het land van Gilead en Bashan, die aan de andere zijde van de Jordaan lagen;

6

Omdat de dochters van Manasse een erfenis hadden onder zijn zonen; en de overige zonen van Manasse hadden het land Gilead.

7

En de grens van Manasse liep van Aser tot aan Michmetath, dat tegenover Sichem ligt; en de grens liep aan de rechterhand naar de inwoners van Entappuah.

8

Nu had Manasse het land van Tappuah; maar Tappuah, op de grens van Manasse, behoorde aan de kinderen van Efraïm;

9

En de grens daalde af tot aan de rivier de Kana, ten zuiden van de rivier; deze steden van Efraïm liggen temidden van de steden van Manasse; de grens van Manasse liep ook aan de noordzijde van de rivier, en de uitgangen daarvan waren aan de zee;

10

Ten zuiden was het van Efraïm, en ten noorden was het van Manasse, en de zee is zijn grens; en zij kwamen samen bij Aser in het noorden, en bij Issaschar in het oosten.

11

En Manasse had in Issaschar en in Aser Beth-Sean en haar steden, en Jibleam en haar steden, en de inwoners van Dor en haar steden, en de inwoners van Endor en haar steden, en de inwoners van Taänach en haar steden, en de inwoners van Megiddo en haar steden; drie landstreken.

12

Maar de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; maar de Kanaänieten bleven wonen in dat land.

13

Doch het geschiedde, toen de kinderen Israëls sterk geworden waren, dat zij de Kanaänieten schatheffing oplegden, maar hen geenszins verdreven.

14

En de kinderen van Jozef spraken tot Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij slechts één lot en één deel tot erfdeel gegeven, terwijl ik een groot volk ben, nademaal de HEER mij tot hiertoe gezegend heeft?