Terug naar Jozua 24
VSV
Statenvertaling

Jozua 24:9

Toen stond Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab, op en streed tegen Israël, en hij zond boden en riep Bileam, de zoon van Beor, om u te vervloeken;

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 24 — omringende verzen

4

En Ik gaf aan Izak Jakob en Esau; en Ik gaf aan Esau het gebergte Seïr om het te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen gingen af naar Egypte.

5

Ik zond ook Mozes en Aäron, en Ik plaagde Egypte, overeenkomstig hetgeen Ik in hun midden deed; en daarna leidde Ik u uit.

6

En Ik leidde uw vaderen uit Egypte; en gij kwaamt aan de zee; en de Egyptenaren achtervolgden uw vaderen met wagens en ruiters tot aan de Rode Zee.

7

En toen zij tot de HEER riepen, stelde Hij duisternis tussen u en de Egyptenaren, en bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien wat Ik in Egypte gedaan heb; en gij hebt lange tijd in de woestijn gewoond.

8

En Ik bracht u in het land van de Amorieten, die aan de overzijde van de Jordaan woonden; en zij streden tegen u; en Ik gaf hen in uw hand, opdat gij hun land zou bezitten; en Ik vernietigde hen van voor u.

9

Toen stond Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab, op en streed tegen Israël, en hij zond boden en riep Bileam, de zoon van Beor, om u te vervloeken;

10

Maar Ik wilde naar Bileam niet luisteren; daarom zegende hij u steeds; zo redde Ik u uit zijn hand.

11

En gij trokket over de Jordaan en kwaamt te Jericho; en de mannen van Jericho streden tegen u, de Amorieten en de Perizzieten en de Kanaänieten en de Hethieten en de Girgasieten, de Hevieten en de Jebusieten; en Ik gaf hen in uw hand.

12

En Ik zond horzels voor u uit, die hen van voor u verdreven, namelijk de twee koningen van de Amorieten; niet door uw zwaard, noch door uw boog.

13

En Ik heb u een land gegeven waarvoor gij niet gearbeid hebt, en steden die gij niet gebouwd hebt, en gij woont daarin; van de wijngaarden en olijfgaarden die gij niet geplant hebt, eet gij.

14

Vreest dan nu de HEER en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde van de rivier en in Egypte; en dient de HEER.