Terug naar Jozua 8
VSV
Statenvertaling

Jozua 8:6

Want zij zullen achter ons aan komen totdat wij hen van de stad hebben weggelokt; want zij zullen zeggen: Zij vluchten voor ons, zoals de eerste keer; daarom zullen wij voor hen vluchten.

Kruisverwijzingen

Context

Jozua 8 — omringende verzen

1

En de HEER zeide tot Jozua: Vrees niet en word niet ontsteld; neem al het krijgsvolk met u mee en sta op, trek op naar Ai; zie, Ik heb de koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven.

2

En gij zult met Ai en haar koning doen zoals gij gedaan hebt met Jericho en haar koning; alleen de buit en het vee moogt gij voor uzelf als roof nemen; leg een hinderlaag voor de stad, achter haar.

3

Zo stond Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken tegen Ai; en Jozua koos dertigduizend dappere strijders uit en zond hen des nachts weg.

4

En hij gebood hun, zeggende: Zie, gij zult in hinderlaag liggen voor de stad, achter de stad; ga niet te ver van de stad, maar weest allen gereed.

5

En ik, en al het volk dat met mij is, zullen de stad naderen; en het zal geschieden, wanneer zij uitkomen tegen ons, zoals de eerste keer, dat wij voor hen vluchten.

6

Want zij zullen achter ons aan komen totdat wij hen van de stad hebben weggelokt; want zij zullen zeggen: Zij vluchten voor ons, zoals de eerste keer; daarom zullen wij voor hen vluchten.

7

Dan zult gij opstaan uit de hinderlaag en de stad innemen; want de HEER uw God zal haar in uw hand geven.

8

En het zal zijn, wanneer gij de stad ingenomen hebt, dat gij de stad in brand zult steken; naar het gebod van de HEER zult gij doen. Zie, ik heb het u geboden.

9

Jozua zond hen dan weg, en zij gingen naar de hinderlaag en bleven liggen tussen Bethel en Ai, aan de westzijde van Ai; maar Jozua overnachtte die nacht te midden van het volk.

10

En Jozua stond vroeg in de morgen op en telde het volk, en trok op, hij en de oudsten van Israël, vóór het volk uit naar Ai.

11

En al het volk, het krijgsvolk dat bij hem was, trok op en naderde en kwam voor de stad, en zij sloegen hun leger op ten noorden van Ai; er was nu een dal tussen hen en Ai.