Klaagliederen 1:12
“Is het u niets, alle gij die voorbijgaat? Aanschouwt en ziet of er een smart is zoals mijn smart, die mij aangedaan is, waarmee de HEER mij verdriet gedaan heeft op de dag van Zijn brandende toorn.”
Kruisverwijzingen
Context
Klaagliederen 1 — omringende verzen
Jeruzalem gedenkt in de dagen van haar ellende en van haar omzwervingen al haar kostbaarheden die zij had in de dagen van ouds, toen haar volk viel in de hand van de vijand en er niemand was die haar hielp; de tegenpartijen zagen haar en spotten met haar sabbaten.
8Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij onrein geworden; allen die haar eerden, verachten haar, omdat zij haar naaktheid gezien hebben; ook zucht zij en keert zich achterwaarts.
9Haar onreinheid is in haar zomen; zij heeft niet gedacht aan haar einde; daarom is zij wonderlijk gedaald, zij had geen trooster. O HEER, aanschouw mijn ellende, want de vijand heeft zich groot gemaakt.
10De tegenpartij heeft zijn hand uitgestrekt over al haar kostbaarheden, want zij heeft gezien dat de heidenen in haar heiligdom gekomen zijn, van wie Gij geboden hebt dat zij niet in Uw gemeente zouden komen.
11Al haar volk zucht, zij zoeken brood; zij hebben hun kostbaarheden gegeven voor spijs om de ziel te verkwikken. Zie, HEER, en aanschouw, want ik ben verachtelijk geworden.
Is het u niets, alle gij die voorbijgaat? Aanschouwt en ziet of er een smart is zoals mijn smart, die mij aangedaan is, waarmee de HEER mij verdriet gedaan heeft op de dag van Zijn brandende toorn.
Van omhoog heeft Hij vuur gezonden in mijn beenderen, en het heeft de overhand over hen gekregen; Hij heeft een net uitgespannen voor mijn voeten, Hij heeft mij achterwaarts doen keren; Hij heeft mij verwoest en de ganse dag krachteloos gemaakt.
14Het juk van mijn overtredingen is door Zijn hand gebonden; zij zijn ineengevlochten en over mijn nek opgekomen; Hij heeft mijn kracht doen wankelen, de Heer heeft mij gegeven in hun handen, van wie ik niet kan opstaan.
15De Heer heeft al mijn sterken vertreden in mijn midden; Hij heeft tegen mij een vergadering bijeengeroepen om mijn jongelingen te verpletteren; de Heer heeft de maagd, de dochter van Juda, vertreden als in een wijnpers.
16Om deze dingen ween ik; mijn oog, mijn oog vloeit met water, omdat de trooster die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft gekregen.
17Sion spreidt haar handen uit, er is niemand die haar troost; de HEER heeft aangaande Jakob geboden, dat zijn tegenpartijen rondom hem zouden zijn; Jeruzalem is onder hen als een onreine vrouw.