Terug naar Klaagliederen 1
VSV
Statenvertaling

Klaagliederen 1:18

De HEER is rechtvaardig, want ik heb tegen Zijn gebod weerspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en aanschouwt mijn smart: mijn maagden en mijn jongelingen zijn in ballingschap gegaan.

Kruisverwijzingen

Context

Klaagliederen 1 — omringende verzen

13

Van omhoog heeft Hij vuur gezonden in mijn beenderen, en het heeft de overhand over hen gekregen; Hij heeft een net uitgespannen voor mijn voeten, Hij heeft mij achterwaarts doen keren; Hij heeft mij verwoest en de ganse dag krachteloos gemaakt.

14

Het juk van mijn overtredingen is door Zijn hand gebonden; zij zijn ineengevlochten en over mijn nek opgekomen; Hij heeft mijn kracht doen wankelen, de Heer heeft mij gegeven in hun handen, van wie ik niet kan opstaan.

15

De Heer heeft al mijn sterken vertreden in mijn midden; Hij heeft tegen mij een vergadering bijeengeroepen om mijn jongelingen te verpletteren; de Heer heeft de maagd, de dochter van Juda, vertreden als in een wijnpers.

16

Om deze dingen ween ik; mijn oog, mijn oog vloeit met water, omdat de trooster die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft gekregen.

17

Sion spreidt haar handen uit, er is niemand die haar troost; de HEER heeft aangaande Jakob geboden, dat zijn tegenpartijen rondom hem zouden zijn; Jeruzalem is onder hen als een onreine vrouw.

18

De HEER is rechtvaardig, want ik heb tegen Zijn gebod weerspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en aanschouwt mijn smart: mijn maagden en mijn jongelingen zijn in ballingschap gegaan.

19

Ik riep tot mijn minnaars, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad de geest gegeven, terwijl zij spijs zochten om hun ziel te verkwikken.

20

Aanschouw, HEER, want mij is benauwdheid; mijn ingewanden zijn ontroerd, mijn hart keert zich om in mijn binnenste, want ik ben zeer weerspannig geweest; buitenshuis berooft het zwaard van kinderen, binnenshuis is het als de dood.

21

Zij hebben gehoord dat ik zucht; er is niemand die mij troost; al mijn vijanden hebben van mijn rampspoed gehoord, zij zijn verblijd dat Gij het gedaan hebt; Gij zult de dag brengen die Gij afgekondigd hebt, en zij zullen zijn als ik.

22

Laat al hun boosheid voor Uw aangezicht komen, en doe hun zoals Gij mij gedaan hebt om al mijn overtredingen, want mijn zuchten zijn vele en mijn hart is krachteloos.