Leviticus 10:11
“En opdat gij de kinderen Israëls al de inzettingen leert die de HEER hun gesproken heeft door de hand van Mozes.”
Kruisverwijzingen
Context
Leviticus 10 — omringende verzen
En Mozes zei tot Aäron, en tot Eleazar en tot Ithamar, zijn zonen: Ontbloot uw hoofden niet en scheurt uw klederen niet, opdat gij niet sterft en er geen toorn over het gehele volk kome; maar laat uw broeders, het gehele huis van Israël, den brand bewenen dien de HEER heeft ontstoken.
7En gij zult niet uitgaan van de ingang van de tent der samenkomst, opdat gij niet sterft; want de zalfolie van de HEER is op u. En zij deden naar het woord van Mozes.
8En de HEER sprak tot Aäron, zeggende:
9Drink geen wijn noch sterke drank, gij noch uw zonen met u, wanneer gij de tent der samenkomst binnengaat, opdat gij niet sterft; dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten;
10En opdat gij onderscheid maakt tussen het heilige en het onheilige, en tussen het onreine en het reine;
En opdat gij de kinderen Israëls al de inzettingen leert die de HEER hun gesproken heeft door de hand van Mozes.
En Mozes sprak tot Aäron en tot Eleazar en tot Ithamar, zijn zonen die overgebleven waren: Neemt het spijsoffer dat overblijft van de vuuroffers des HEREN, en eet het zonder zuurdesem naast het altaar; want het is hoogheilig;
13En gij zult het eten op de heilige plaats, omdat het uw deel is en het deel uwer zonen van de vuuroffers des HEREN; want zo is mij geboden.
14En de bewogen borst en de geheven schouder zult gij eten op een reine plaats, gij en uw zonen en uw dochters met u; want zij zijn gegeven als uw deel en het deel uwer zonen, uit de vredeoffers der kinderen Israëls.
15De geheven schouder en de bewogen borst zullen zij brengen met de vuuroffers van het vet, om het als beweegoffer voor de HEER te bewegen; en het zal het uwe zijn en dat uwer zonen met u, als een eeuwige inzetting; zoals de HEER geboden heeft.
16En Mozes zocht nauwkeurig naar de bok van het zondoffer, en zie, hij was verbrand; en hij was toornig op Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron die overgebleven waren, en zeide: