Leviticus 10:3
“Toen zei Mozes tot Aäron: Dit is het wat de HEER sprak, zeggende: Ik zal geheiligd worden in hen die tot Mij naderen, en voor het gehele volk zal Ik verheerlijkt worden. En Aäron zweeg.”
Kruisverwijzingen
Context
Leviticus 10 — omringende verzen
En Nadab en Abihu, de zonen van Aäron, namen ieder zijn wierookvat, deden vuur daarin en legden reukwerk daarop, en offerden vreemd vuur voor de HEER, hetgeen Hij hun niet geboden had.
2En er ging vuur uit van de HEER en verteerde hen, en zij stierven voor de HEER.
Toen zei Mozes tot Aäron: Dit is het wat de HEER sprak, zeggende: Ik zal geheiligd worden in hen die tot Mij naderen, en voor het gehele volk zal Ik verheerlijkt worden. En Aäron zweeg.
En Mozes riep Misaël en Elzafan, de zonen van Uzziël, de oom van Aäron, en zei tot hen: Komt naderbij, draagt uw broeders weg van voor het heiligdom uit het kamp.
5Zo kwamen zij naderbij en droegen hen in hun mantels het kamp uit; zoals Mozes gezegd had.
6En Mozes zei tot Aäron, en tot Eleazar en tot Ithamar, zijn zonen: Ontbloot uw hoofden niet en scheurt uw klederen niet, opdat gij niet sterft en er geen toorn over het gehele volk kome; maar laat uw broeders, het gehele huis van Israël, den brand bewenen dien de HEER heeft ontstoken.
7En gij zult niet uitgaan van de ingang van de tent der samenkomst, opdat gij niet sterft; want de zalfolie van de HEER is op u. En zij deden naar het woord van Mozes.
8En de HEER sprak tot Aäron, zeggende: