Leviticus 13:1
“En de HEER sprak tot Mozes en Aäron en zei:”
Kruisverwijzingen
Context
Leviticus 13 — omringende verzen
En de HEER sprak tot Mozes en Aäron en zei:
Wanneer iemand in de huid van zijn vlees een zwelling, een korst of een blanke plek heeft, en het in de huid van zijn vlees lijkt op de plaag van melaatsheid, dan zal hij gebracht worden tot Aäron de priester, of tot een van zijn zonen, de priesters.
3En de priester zal de plaag bezien in de huid van het vlees; en wanneer het haar in de plaag wit is geworden en de plaag dieper lijkt dan de huid van zijn vlees, dan is het een plaag van melaatsheid; en de priester zal hem bezien en hem onrein verklaren.
4Als de blanke plek wit is in de huid van zijn vlees en niet dieper lijkt dan de huid, en het haar ervan niet wit is geworden, dan zal de priester hem die de plaag heeft zeven dagen opsluiten.
5En de priester zal hem op de zevende dag bezien; en zie, indien de plaag naar zijn oordeel stilgestaan heeft en zich niet verspreid heeft in de huid, dan zal de priester hem nog zeven dagen opsluiten.
6En de priester zal hem opnieuw op de zevende dag bezien; en zie, indien de plaag enigszins verduisterd is en de plaag zich niet verspreid heeft in de huid, dan zal de priester hem rein verklaren: het is slechts een korst; en hij zal zijn kleren wassen en rein zijn.