Terug naar Leviticus 20
VSV
Statenvertaling

Leviticus 20:18

En indien een man bij een vrouw ligt tijdens haar ongesteldheid en haar naaktheid ontdekt; hij heeft haar bron blootgelegd en zij heeft de bron van haar bloed ontdekt; zij beiden zullen uitgeroeid worden uit het midden van hun volk.

Kruisverwijzingen

Context

Leviticus 20 — omringende verzen

13

Indien een man ook ligt bij een man zoals hij bij een vrouw ligt, zij beiden hebben een gruwel bedreven; zij zullen zeker ter dood gebracht worden; hun bloed is op hen.

14

En indien een man een vrouw en haar moeder neemt, is dat goddeloosheid; zij zullen met vuur verbrand worden, hij en zij beiden; opdat er geen goddeloosheid onder u zij.

15

En indien een man bij een dier ligt, zal hij zeker ter dood gebracht worden; en gij zult het dier doden.

16

En indien een vrouw een dier nadert en daarmede ligt, dan zult gij de vrouw en het dier doden; zij zullen zeker ter dood gebracht worden; hun bloed is op hen.

17

En indien een man zijn zuster neemt, de dochter van zijn vader of de dochter van zijn moeder, en haar naaktheid ziet en zij zijn naaktheid ziet; het is een schandelijk ding; en zij zullen uitgeroeid worden voor de ogen van hun volk; hij heeft de naaktheid van zijn zuster ontdekt; hij zal zijn ongerechtigheid dragen.

18

En indien een man bij een vrouw ligt tijdens haar ongesteldheid en haar naaktheid ontdekt; hij heeft haar bron blootgelegd en zij heeft de bron van haar bloed ontdekt; zij beiden zullen uitgeroeid worden uit het midden van hun volk.

19

En gij zult de naaktheid van de zuster van uw moeder, noch van de zuster van uw vader niet ontdekken; want hij ontdekt zijn naaste bloedverwant; zij zullen hun ongerechtigheid dragen.

20

En indien een man bij de vrouw van zijn oom ligt, heeft hij de naaktheid van zijn oom ontdekt; zij zullen hun zonde dragen; zij zullen kinderloos sterven.

21

En indien een man de vrouw van zijn broeder neemt, is dat een onreine zaak; hij heeft de naaktheid van zijn broeder ontdekt; zij zullen kinderloos zijn.

22

Gij zult dan al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden en ze doen; opdat het land, waarheen Ik u breng om daarin te wonen, u niet uitspuwe.

23

En gij zult niet wandelen in de gewoonten van het volk dat Ik voor u uitgedreven heb; want al deze dingen hebben zij gedaan, en Ik heb een afkeer van hen gekregen.