Leviticus 8:30
“En Mozes nam van de zalfolie en van het bloed dat op het altaar was, en sprenkelde het op Aäron, op zijn klederen, op zijn zonen en op de klederen van zijn zonen met hem; en hij heiligde Aäron en zijn klederen, en zijn zonen en de klederen van zijn zonen met hem.”
Kruisverwijzingen
Context
Leviticus 8 — omringende verzen
En hij nam het vet, het staartvet en al het vet dat op de ingewanden was, en het net boven de lever, en de twee nieren met hun vet, en de rechterschouder;
26En uit de mand met ongezuurd brood, die voor de HEER stond, nam hij één ongezuurde koek, één met olie bereide koek en één ouwel, en legde die op het vet en op de rechterschouder;
27En hij legde dit alles op de handen van Aäron en op de handen van zijn zonen, en wuifde het als beweegoffer voor de HEER.
28En Mozes nam het van hun handen en verbrandde het op het altaar, op het brandoffer; het waren inwijdingsgaven tot een lieflijke geur: het is een vuuroffer aan de HEER.
29En Mozes nam de borst en wuifde haar als beweegoffer voor de HEER; want van de inwijdingsram was dit het deel van Mozes; zoals de HEER Mozes geboden had.
En Mozes nam van de zalfolie en van het bloed dat op het altaar was, en sprenkelde het op Aäron, op zijn klederen, op zijn zonen en op de klederen van zijn zonen met hem; en hij heiligde Aäron en zijn klederen, en zijn zonen en de klederen van zijn zonen met hem.
En Mozes zei tot Aäron en tot zijn zonen: Kookt het vlees bij de ingang van de tent der samenkomst; en eet het daar met het brood dat in de mand der inwijdingsgaven is, zoals ik geboden heb, zeggende: Aäron en zijn zonen zullen het eten.
32En wat van het vlees en het brood overblijft, zult gij met vuur verbranden.
33En gij zult de ingang van de tent der samenkomst zeven dagen lang niet uitgaan, totdat de dagen van uw inwijding voltooid zijn; want zeven dagen zal hij u inwijden.
34Zoals hij heden gedaan heeft, zo heeft de HEER geboden te doen, om voor u verzoening te doen.
35Daarom zult gij dag en nacht zeven dagen aan de ingang van de tent der samenkomst blijven en de wacht voor de HEER waarnemen, opdat gij niet sterft; want zo is mij geboden.