Terug naar Maleachi 1
VSV
Statenvertaling

Maleachi 1:4

Wanneer Edom zegt: Wij zijn verarmd, maar wij zullen terugkeren en de verwoeste plaatsen herbouwen — zo zegt de HEER der heerscharen: Zij zullen bouwen, maar Ik zal neerwerpn; en men zal hen noemen: Het grondgebied der goddeloosheid, en: Het volk tegen hetwelk de HEER voor eeuwig toorn koestert.

Kruisverwijzingen

Context

Maleachi 1 — omringende verzen

1

De last van het woord van de HEER tot Israël, door Maleachi.

2

Ik heb u liefgehad, zegt de HEER. Maar gij zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was Ezau niet de broeder van Jakob? zegt de HEER; toch heb Ik Jakob liefgehad,

3

Maar Ezau heb Ik gehaat, en zijn bergen en zijn erfdeel heb Ik overgegeven aan de jakhalzen der woestijn.

4

Wanneer Edom zegt: Wij zijn verarmd, maar wij zullen terugkeren en de verwoeste plaatsen herbouwen — zo zegt de HEER der heerscharen: Zij zullen bouwen, maar Ik zal neerwerpn; en men zal hen noemen: Het grondgebied der goddeloosheid, en: Het volk tegen hetwelk de HEER voor eeuwig toorn koestert.

5

En uw ogen zullen het zien, en gij zult zeggen: De HEER zij groot, ook buiten de grenzen van Israël.

6

Een zoon eert zijn vader, en een knecht zijn heer; indien Ik dan een Vader ben, waar is Mijn eer? en indien Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HEER der heerscharen tot u, o priesters, die Mijn naam verachten. En gij zegt: Waarin hebben wij Uw naam veracht?

7

Gij brengt onrein brood op Mijn altaar; en gij zegt: Waarin hebben wij U verontreinigd? Daarin, dat gij zegt: De tafel van de HEER is verachtelijk.

8

En indien gij het blinde ten offer brengt, is dat niet kwaad? en indien gij het kreupele en het zieke brengt, is dat niet kwaad? Bied het toch aan uw landvoogd; zal hij behagen in u scheppen, of uw persoon aangenaam vinden? zegt de HEER der heerscharen.

9

En nu, smeekt toch God, dat Hij ons genadig zij; dit is door úw toedoen geschied; zal Hij uw personen aangenaam vinden? zegt de HEER der heerscharen.